lijstjes

Het is december, dus tijd om de balans op te maken en 2017 te condenseren tot een serie lijstjes. Woord, song, sporter, nieuws enzovoort van het jaar: de media schrapen luidruchtig de feitjes bij elkaar, enquêteren zich een slag in de rondte en hopen vooral dat hun opsomming uniek en opzienbarend genoeg is om onze aandacht te trekken, te midden van het eindejaarskabaal.

Welk lijstje heeft de hoogste nieuws- en amusementswaarde? Een goed lijstje weet een urgent aspect van het afgelopen jaar in een top-10 weer te geven, raakt een emotionele snaar en roept liefst zo veel mogelijk discussie op.

Wat ligt er dan meer voor de hand om je publiek te vragen om de mooiste, beste, fijnste … van het jaar? Eh… inderdaad: vraag het juist om de slechtste, irritantste, gruwelijkste …! Geheid dat de mensen die overal een mening over hebben zich laten verleiden tot een fors onderbouwde bijdrage.

1. Op wegmetdatwoord.org van het Instituut voor de Nederlandse Taal kun je afrekenen met vage coachingtermen, managertaal of welk woord je verder maar niet wilt horen in 2018. Stemmen kan alleen vandáág nog, dus wees er snel bij!

2. De Loden Leeuw voor de meest irritante tv-reclame is gisteren uitgereikt aan de acteur die in de Buik Billen Bonus-filmpjes van Albert Heijn speelde. Zijn reactie: `Ik ben een sportman, ik wil natuurlijk wel winnen’. Sportief, zeker… Ali B. kreeg ook zo’n leeuw, als irritantste BN’er in een reclame. Heb je deze verkiezing gemist? Leg dan je tablet eens weg en zet de ouderwetse treurbuis nog eens aan voor de verkiezing van 2018.

3. Vakantieboer Expedia haalde al in september de media met haar enquête over de irritantste vakantiefoto’s op sociale media. `Foodfoto’s’ en `hotdogbenen’ zijn ergernis nummer 1 en 2, gevolgd door yoga- en springfoto’s. Fijn dat we het weten.

Modewoorden, reclamefilmpjes en vakantiekiekjes. Wat leven we toch op een mooi stuk van de aardbol, dat we tijd, zin en gelegenheid hebben om ons daaraan te ergeren, als bewoners van een van de rijkste en veiligste landen ter wereld… zoals jaar in, jaar uit weer uit vele lijstjes blijkt.

20171206

Here, you are your house

De fraaie, ongerepte, zuid-Portugese kust werd begin jaren ’90 volop `ontwikkeld’: hotels, winkelcentra, luxe villa’s.  Ik was er als arme student op een shoestring-backpackvakantie – al noemde ik dat toen gewoon vakantie. Fotografie was nog analoog – weinigen kénden überhaupt het woord `digitaal’. Vaak moest ik kiezen om níet af te drukken: dat bespaarde film, ontwikkel- en afdrukkosten. Zes filmpjes in drie weken was echt de max.

Zo liep ik – ik heb allejezusveel gelopen op dit soort vakanties – langs een reusachtig billboard, waarop in aandoenlijke pasteltinten een droomwereld was gecreëerd, een visioen van een projectontwikkelaar met grootse plannen voor de dorre heuvels rondom. Ik zag schitterende paleisjes met weelderige tuinen, in de verte een groen glooiende golfbaan, een gouden gloed daarachter; een kruising van Babylon en het Beloofde Land.

Onder een meedogenloze, allesverzengende zomerzon, temidden van een troosteloze kaalheid aan een verweesde N-weg, las ik de woorden waarmee men investeerders wilde overhalen het visioen te verwezenlijken: Here, you are your house!

Het duurde even voordat ik met mijn verhitte hersenen de impact besefte van de verkeerd geplaatste komma: Hier ben je je huis! – in plaats van: Alsjeblieft, je huis!* Onbedoeld onthulde het billboard een waarheid als een koe of – als je wilt – een kapitalistische norm: je bent waard wat je bezit.

Er zijn grappiger kommafouten** , maar ik heb er weinig gezien die zo pregnant uitdrukten hoe de wereld in elkaar zit. Was ik geen arme student geweest, dan had ik er zeker een foto van gemaakt.

20171124

* Here you are, your house!
** Zoals Schiet op Griekenland versus Schiet op, Griekenland – Je vindt ze regelmatig op Taalvoutjes en in de rubriek Ruggespraak van het maandblad Onze Taal.

Fout Nederlands… wie bepaald dat?

Gehakketak over wat correct Nederlands is, is niet enkel van nu. In de Atlas van de Nederlandse taal* staan mooie verhalen over hoe men in de 16e en 17e eeuw onze taal op de tekentafel legde. Gedreven door een gulzig beleefde klassieke Wedergeboorte streefde men toen naar een pure, Nederlandse eenheidstaal tot fundament van de nog wankele nationale identiteit.

De hooggeletterde heren van die tijd beschouwden het Latijn als dé modeltaal, waaraan het Nederlands zich diende te meten, de leest waarop dus ook onze grammatica moest worden geschoeid. Daarom onderstreepte men op die tekentafel de drie woordgeslachten (mannelijk, vrouwelijk en onzijdig), al kwamen deze in de dagelijkse omgangstaal amper nog voor. Ook het verschil tussen hen en hun – mijn persoonlijke blinde vlek – bestond voor veel Gouden Eeuwers helemaal niet. Hetzelfde geldt voor de klassieke naamvallen, een overbodig construct dat pas een halve eeuw geleden is afgeschaft. We komen ze nog wel tegen in versteende uitdrukkingen als in naam der wet, bij dezen en de heer des huizes.

Tegelijkertijd probeerde men de woordenschat te zuiveren van vreemdtalige invloeden. Intellectuelen zochten naar Nederlandse alternatieven voor leenwoorden. Simon Stevin bedacht driehoek, wiskunde en breuk, Hugo de Groot inboedel en Vondel toeval en blijspel.

Ook de spelling moest vernederlandst en vooral gestandaardiseerd worden. Vonden ook de drukkers, die hoopten zo hun afzetgebied te vergroten. Een aantal grondregels uit die tijd geldt nog steeds, zoals het gelijkvormigheidsprincipe: je hebt het over twee honden, dus schrijf je in het enkelvoud hond met een d en niet met een t.

De taalwerkelijkheid (of liever: de taalgebruiker) trekt zich minder aan van de regels dan de beregelaars zouden willen. Het taalgevoel van veel gewone Nederlanders detecteert geen fout in `hun hebben’ en `het meisje, die…’. Het streven naar zuiver, onvermengd Nederlands wordt nog amper beleden en onze taal stikt dan ook van de Franse, Duitse en Engelse leenwoorden. Ook de spellingsdiscussie, eerdere decennia nog wel eens goed voor een flinke rel, is een achterhoedegevecht geworden. Er is weliswaar een geheiligde Woordenlijst Nederlandse taal, maar wie heeft die nog nodig? Spellingcheckers en autocorrectie voorkomen immers je typ(e)fouten en dwingen je zoekacties in het gareel, desnoods ongevraagd.

In de Atlas zelf is veel discussie over wat goed of fout Nederlands is en wie dat dan wel bepaalt. Geen instantie, regel of aanname is nog heilig, lijkt. Juist taalwetenschappers, op het symposium Goede redenen voor foute taal**, betoogden dat intuïtief `fout’ Nederlands soms logischer is dan de geldende regels. `De taal is ook maar een mening’, knipoogde Peter-Arno Coppen: mensen zouden niet `genadeloos’ mogen worden afgerekend op taalfouten. Helen de Hoop was nog stelliger: ‘ Dat je mag discrimineren op taal, vind ik heel kwalijk. Zo creëer je uitsluiting. Je tast mensen aan in hun eigen identiteit.’

Ironie: een eigen identiteit was juist de inzet van de hooggeleerde heren in de Gouden Eeuw. Althans, een poging de identiteit van een verse natie te verstevigen door de taal te standaardiseren. O tempora, o mores.

* Uitgegeven door Lannoo (2017), zie ook : www.atlasvandenederlandsetaal.com en de FaceBookpagina.
** Leiden, 24 februari 2017

20171111

Woordenboek: vraagbaak, scherprechter, gedicht?

Wie bladert er nog voor zijn plezier in een woordenboek? Toen ik Nederlands ging studeren, schafte ik me een amper tweedehands driedelige Van Dale aan, 175 gulden bij De Slegte. Ik stuitte, als een beduusde Livingstone, op `serendipiteit’: het verschijnsel dat je soms pardoes iets vindt waar je helemaal niet naar op zoek was, maar dat wel een blijvende glimlach op je gelaat tovert, of je de juiste weg wijst (mijn definitie;)

David Bowie las er graag in:

`Don’t you love the Oxford Dictionary? When I first read it, I thought it was a really really long poem about everything.’

Inderdaad, de gecondenseerde beschrijvingen, ritmisch omlijst door grammaticale informatie, bolletjes, asterisken, romeinse cijfers en andere lexicografische parafernalia geven een woordenboek soms het karakter van een bundel symbolistische poëzie, vol bezweringen en magische formules. Onaantastbaar, verheven, verwijst elk artikel naar een ander, pompt elk woord betekenis rond in een gesloten systeem, waarvan begin en het eind zo goed als in marmer gebeiteld zijn: A-ZZZ. Het is aan de lezer om zich een weg door de letters te banen, verbanden te leggen en voor zichzelf betekenis te ontlenen.

Toch is het juist de bedoeling van ons lexicografen om helderheid te geven, te objectiveren. We maken concreet wat in het hoofd van al die individuele gebruikers in het hoofd rondzoemt als ze praten over een tafel, over vriendschap of een salade niçoise. Zodat ze het – mocht er een geschil ontstaan – op neutraal terrein weer eens kunnen worden. Afgelopen zomer nog haalde de gemeente Amsterdam de Van Dale aan om te voorkomen dat een pizzaketen een vergunning zou bemachtigen: enkel échte restaurants kwamen daarvoor nog in aanmerking. ‘t Is een kwestie van definitie…

Het publiek van de Prisma pocketwoordenboeken heeft geen behoefte aan poëzie of juridische onderbouwing: middelbaarscholieren zoeken enkel de betekenis van een woord dat ze in het wild of in een examentekst tegenkomen, of de vertaling ervan, als ze Duits, Engels of Frans hebben. En liefst zo snel en eenduidig mogelijk. Dat ze er zo veel méér in kunnen vinden – gebruiksinfo, context, spreekwoorden, wijsheden – daarvan zien ze helaas niet altijd het nut of plezier in.

Gedicht, scherprechter, vraagbaak: het concept woordenboek zélf onttrekt zich aan een eenduidige definitie. Ook de vorm – papier – verandert: je bladert niet meer, maar typt een zoekwoord in. Typ je iets verkeerds in, dan geeft de spellingcorrector je wel een duwtje in de juiste richting. Rechtstreeks van vraag naar antwoord, efficiënt en trefzeker. Weinig kans nog op serendipiteit, jammer genoeg.

20171102

Red Utopia

De foto’s van Jan Banning blijven je bij. De inmiddels bejaarde troostmeisjes, die close-up recht de camera in staren, het portret van de Indische bureaucraat, omgeven door metershoge stapels documenten, het gezicht van de armoede, ten voeten uit gedocumenteerd in een Afrikaans dorp. Sociaal bewogen, poëtische beelden, waaruit innerlijke rust spreekt, berusting ook soms.

Zijn nieuwste boek gaat over communistische partijen en wat daarvan rest, honderd jaar na de Russische Revolutie. In onze neoliberale wereld verliezen solidariteit en compassie steeds meer terrein en nemen grote belangen, grote getallen het over. Socialistische idealen worden – ook in Nederland – als `linkse hobby’s’ bij het vuil gezet, afgedaan. De CPN ging al in 1990 op in GroenLinks, de van oorsprong maoïstische SP is zo verwaterd dat ze niet eens meer tegen de monarchie ageert. Harry van Bommel speelde in 2012 zelfs met de gedachte de naam te veranderen in Sociale Partij, omdat socialisme zo’n belaste term is.

Jan Banning bezocht communistische partijen in onder meer Portugal, Italië en Rusland en trof daar vooral veel ouderen aan, verschrompeld en krachteloos als de partij die ze nog vurig verdedigen, tegen de stroom van de tijd in. In India en Nepal worstelen ze met globalisering en hun eigen identiteit. Portretten van Marx, Lenin en Mao, hamers en sikkels: de iconografie is in veertig, vijftig jaar weinig veranderd. De meeste kantoren ogen sober, armoedig, schraal, het meubilair sleets. Ongemakkelijk kijken kameraden de camera in, een bittere tegenstelling met de vlaggen, de massale 1 meivieringen, de juichende propaganda van het Rode Rijk van weleer. Banning legt het met mededogen vast.

Het boek heeft een Engelse titel gekregen, Red Utopia. De foto’s spreken voor zich, een beknopt voorwoord is voldoende. Toen Jan me vroeg om de Nederlandse versie daarvan te redigeren, Rood Utopia, bleef ik haken aan de ironie die in de vertaling verloren gaat. In het Nederlands zou Red Utopia een mooie opdracht zijn, een oproep om dan tenminste nog de herinnering levend te houden aan de rode utopie, die een eeuw geleden zo dichtbij leek.

Tot 7 januari 2018 is de fotoserie te zien in Museum De Fundatie in Zwolle.

20171019

Poëzie op straat

In het jaar 79 van onze jaartelling barstte de vulkaan Vesuvius spectaculair uit en bedolf een metersdikke laag gloeiende as de nabij gelegen stad Pompeii. Toen enthousiaste archeologen in de 19e stad begonnen met opgravingen, troffen ze op de muren een overweldigende hoeveelheid graffiti aan, van scabreuze aantijgingen via reclame en laster tot keiharde politieke agitprop. Maar ook poëtische teksten als deze:

vellessem gemma hora non amplius una
ut tivi signanti oscula presse dara

(ik zou voor een uurtje de steen in je zegelring willen zijn
zodat jij me kussen zou wanneer je het zegel drukt)

Tegenwoordig zijn de muren, althans die van de Utrechtse binnenstad, onaantastbaar, heilig – in de ogen van bewoners, winkeliers, horeca en VVV – en worden ze regelmatig ontdaan van alles wat erop wordt gekalkt: swastika’s, fallussen, geleuter en gelal. De stad ziet liefst officiële, bezoekersvriendelijke poëzie de muren van de Utrechtse binnenstad opleuken. Dit kwatrijn van Adriaan Roland Holst, bijvoorbeeld, aan de Wittevrouwenkade:

heen en weer geslingerd
zonder rust of duur
was ik maar een wingerd
had ik maar een muur

Onze geweldige stadsdichter Ingmar Heytze is goed vertegenwoordigd, zoals met deze regels, mooi gekalligrafeerd langs de Oudegracht:

Zoek een goede avond uit,
loop de grachten langs en kijk
hoe het licht in de huizen verdwijnt.
Leg dan uw handen op een muur.
Hier heeft de oudste steen gelijk.

De openbare ruimte is een schaars en kostbaar goed, waarmee we voorzichtig moeten omgaan. Te makkelijk spuiten vandalen een weerloos stuk muur vol met afzichtelijke, hatelijke wartaal of vage, vormloze tags, waar, behalve de schepper, niemand blij van wordt. `Officiële’ graffiti is een mooi alternatief, maar laat wat plekken vrij voor talige Don Quixotes, die ons ongevraagd confronteren met verheffende, verwarrende, ontroerende en schurende boodschappen – plompverloren midden in die openbare ruimte, zoals deze anonieme:

MISSCHIEN ZIJN WE
JUIST NU WE VAN ALLES
VAN ALLES VINDEN
PAS ECHT IETS VERLOREN

Kijk eens om je heen: er is verrassend veel moois te lezen tussen de etalages en terrasjes. Veel officiële en `wilde’ straatpoëzie vind je (natuurlijk) op FaceBook.

20171011

Pentothal Postcards

Dear Doctor, if you’ve been looking for a far-away island paradise, you’ll find it in the Maldive Islands. The islands are just south of the great Indian peninsula. While few Westerners visit here, and the best means of transportation is by sailing ships, you will always find PENTOTHAL. Its sureness, effectiveness and solid clinical background have made it the intravenous anesthetic of choice throughout the world.
Abbot

Tussen 1954 en 1968 kregen dokters, verplegers, ziekenhuizen en gezondheidsinstituten in de hele westerse wereld dit soort ansichtkaarten. Met een persoonlijke groet, handgeschreven en authentiek gepost in België, Chili, Pakistan, de Malediven. Slimme marketing van de Abbott Pharmaceutical Company uit Chicago.

Tegenwoordig is Oom Google de postbode en reclamemakelaar ineen. Hijt checkt (met jouw toestemming) alles waar je van houdt, waar je op zoekt, hoe je leven eruitziet en met wie je dat deelt. Google koppelt dat in een database aan bedrijven die hun reclame op jou mogen richten.

Je weet waar je aan toe bent – je hebt immers de voorwaarden gelezen. Bovendien krijg je van Oom Google misschien wel goede tips en suggesties, omdat je hem zelf hebt geholpen de reclames samen te stellen.

Toch zou ik liever een handgeschreven kaart van de Malediven ontvangen, zelfs van iemand die ik niet ken.

20171003

Op je lijf geschreven

Nu de zomer definitief voorbij lijkt, verdwijnen armen, benen, schouders en ruggen zoetjesaan weer uit het zicht. En daarmee ook de daarop aangebrachte tatoeages. Persoonlijk vind ik dat niet zo erg. Bij veel van die plaatjes vraag ik me af wat erger is: of je ooit spijt gaat krijgen dat je ‘m hebt laten zetten of juist dat je daar géén spijt van gaat krijgen. En hoe ze er over tien, twintig jaar uitzien, als de huid rimpelig en vlekkerig wordt.

Tatoeages (van het Polynesische woord tatau: schrijven) zijn allang gemeengoed, met name onder voetballers, filmsterren en popartiesten. Toch roepen ze ook nog veel controverse op, als `ontheiliging van het lichaam’ of `een opgestoken middelvinger naar de maatschappij’ (column Renée Braams in De Volkskrant).

Er zijn vele, diep-persoonlijke redenen denkbaar waarom je het portret van een voetballer, een wijnetiket, Popeye of een Keltisch kruis met inkt in je huid zou laten krassen. Of een tekst, een paar zwierige dichtregels of een spreuk met veel hoofdletters. Het houdt de herinnering levend aan je eigen levensmotto, een verloren geliefde of een beslissend moment in je leven. Het bindt je aan een levensgezel die zich met dezelfde tekens heeft laten decoreren. In John Irvings boek `Until I find you’ heeft de lang gezochte vaderfiguur, een organist, zich tot een `full body’ laten decoreren met betekenisvolle flarden notenschrift (Bach, Haydn) en liturgische teksten. Zijn huid houdt zijn lichaamswarmte niet meer vast: hij heeft het voortdurend koud.

Ik ken iemand die zijn geliefde huisdier, een rat, over zijn linkerborst liet aanbrengen. Toen het dier de geest gaf, liet hij de tatoeage tegen aanzienlijke kosten en pijn verwijderen… om daarna een zwarte Maori-tribal over zijn gehele bovenarm te bestellen, zo groot dat ‘ie er nooit over zou peinzen ook deze nog eens weg te laten halen.

Met een tatoeage geef je uiting aan een diep gevoelde gedachte, overtuiging of emotie. Maar hoe persoonlijk ook, een tatoeage wordt een boodschap aan wie hem onder ogen krijgt. Mensen kunnen nu eenmaal niet anders dan reageren op visuele stimuli en betekenis hechten aan een afbeelding of een tekst die iemand in eigen huid heeft laten kerven. En dan maakt het uit of er `moeder’ staat, in een hart of `PURE EVIL’ met een doodshoofd erboven.

Het is aan de getatoeëerde om uit te maken welke boodschap hij of zij wil uitdragen. Tegelijk is het – voor mij althans – een mooie uitdaging om zelfs bij de meest groffe tatoeage een onmiddellijk oordeel uit te stellen en misschien zelfs de getatoeëerde te vragen naar zijn of haar motieven. Dat heeft me al een paar verhelderende en openhartige gesprekken opgeleverd.

20170921

Haikoe

De hoofdredacteur van de Utrechtse daklozenkrant noemde me ooit meester op de korte baan, toen bleek dat ik in 100 woorden een leuk verhaaltje kon houden over bekende Utrechters. Voor wie denkt dat ik lui ben: met het schrijven van 100 woorden ben je niet per se korter bezig dan met een stukje van 400, of zelfs 1000 woorden. Met weinig woorden heb je weinig kans om te nuanceren, dus moet je extra zorgvuldig kiezen. Stel je voor dat je een poolreis gaat maken en je kan enkel een daypack als bagage meenemen.

De strakke vorm van de Japanse dichtvorm haikoe (meervoud: haikoe) biedt de kortebaner een spannende uitdaging. Hoe geef ik een impressie van een seizoensgebonden fenomeen weer in 5 + 7 + 5 lettergrepen? In alledaagse, vloeiende taal, alsof er niets bijzonders gebeurt, terwijl je wel weet dat er iets `hoogs’ wordt aangeraakt. Sober, diepgaand, zakelijk moet het zijn, maar ook speels en licht. Dat zijn althans de basisregels, die door de eeuwen heen meer en minder rigide werden toegepast.

Deze week, aan het begin van de herfst, een boeketje haikoe, één voor elk seizoen, uit de klassieke verzameling van J. van Tooren (`Een jonge maan’), in zijn vertaling:

Er staat geschreven:
geen bloesems plukken! Maar de
wind kan niet lezen.

(anoniem)

In de avondwind
gaan alle witte rozen
zachtjes bewegen.

(Shiki)

Mijn schaar naderde
de witte chrysanth – en bleef
even aarzelen.

(Buson)

Het pampasgras valt;
je ziet het voor je ogen,
hoe de kou toeneemt.

(Issa)

O ja, de officiële spelling is natuurlijk haiku, maar woordbeeld en uitspraak hebben me dichterlijk gevraagd deze in dit geval te negeren.

20170913

#Hashtag #jarig

De hashtag vierde onlangs zijn tiende verjaardag. In augustus 2007 introduceerde Chris Messina het hekje (#) op Twitter om berichten te kunnen groeperen op onderwerp. Zinvol als je snel alle informatie bijeen wilt hebben over #JustinBieber of #NSvertragingen.

De technologie die ons internet bracht, beheerst inmiddels ons denken en handelen meer dan ooit. Zij bracht een tsunami aan informatie op gang die zijn weerga niet kent en nog steeds explosief groeit. Met mobiele apparaten legden wij, makke schapen, onszelf nog meer aan het infuus van een continue informatiestroom.

Gelukkig zijn daar de zoekmachines die ons in die ongebreidelde rijstebrijberg van gegevens helpen vinden wat we zoeken. En telkens sta ik weer paf: hoe krijgen ze voor elkaar dat ik zoek naar een camera en vervolgens overal op internet met camerareclames om mijn oren wordt geslagen? Personalized ads, direct target marketing, search engine optimization, page ranking, big data… Ze zijn zo knap tegenwoordig!

De Twitterbazen vonden de hashtag toen iets voor nerds, maar tags zijn onmisbaar geworden, ook zonder het #-teken ervoor. Deze woorden of woordgroepen hangen inmiddels aan heel veel producten en diensten die de zoekmachines je aanbieden, ongeveer zoals labels aan kledingstukken in een winkel. Zoek je op internet naar `gele herenpantalon’, dan gaat de zoekmachine aan het werk: op welke webpagina komt `herenpantalon’ voor, `geel’ of `gele’, `herenbroek’? De producten of diensten met de meest toepasselijke tags komen bovenaan te staan.

Elke goede blogger gebruikt tags: het vakje `zoektermen’ of `keywords’. De zoekmachine indexeert de inhoud van de blog en iedereen die zoekt op jouw tags zal sneller jouw blog vinden, lezen en liken. Word je niet gevonden, dan heb je dat dus goeddeels aan jezelf te wijten. Doe je het goed en heb je iets interessants te melden, dan vergroot je de kans dat je er geld mee kunt verdienen.

Zo danst iedereen naar het pijpen van de zoekmachines. De informatieconsument (nog zo’n mooi neologisme) wil graag snel de meest relevante website vinden. Bedrijven, organisaties en bloggers willen graag gevonden worden. Vindbaarheid is geen luxe, maar noodzaak. Geen wonder dat de bedrijven achter de zoekmachines hun lucratieve technologie zorgvuldig geheim houden en de cocktail van factoren telkens wat aanpassen. Zo blijven wij hulpeloos en mak.

Er zijn wel wat vuistregels: zoekmachines indexeren naast zoektermen ook de titel van een tekst en koppen in de tekst (zoals <h1> en <h2>). Links naar andere webpagina’s dragen bij aan een goede vindbaarheid. Informatie met beeld krijgt voorrang, en gesponsorde informatie natuurlijk ook.

Meer tips? Googel even op vindbaarheid: beslist dat je veel bruikbare info wordt aangeboden.

20170907

Spookwoorden

Redacteurs van woordenboeken zijn doorgaans nogal op de millimeter wat betreft definities, grammaticale en etymologische informatie, spelling uiteraard. We moeten altijd woekeren met de ruimte om een zo accuraat mogelijke omschrijving te geven van, bijvoorbeeld, een `dubbelmol’. We kunnen lang puzzelen op de essentie van `due diligence’. Sommigen van ons hebben hun hele, lange leven gewijd aan de studie van het Gotisch en Raetoromaans om ons overtuigend te kunnen inlichten over de oorsprong van, bijvoorbeeld, een woord als `paard’. Zakelijk, nuchter, to the point, zoals het hoort.

De hele dag zoeken we de on- en offline media af naar bewijsplaatsen van nieuwe woorden en uitdrukkingen. Alleen zo kunnen we beoordelen of die al een plek verdienen in onze woordenboeken, of ze al `gelexicaliseerd’ zijn, om maar een vakterm te gebruiken. We komen daarbij behoorlijk wat vondsten tegen die getuigen van creativiteit en spitsvondigheid. De meeste zijn eendagsvliegen, zoals `terroroehoe’ en `vleesverlater’: ze gaan ten onder als het onderwerp uit de actualiteit wegebt.

Bekende taalvirtuozen als Kees van Kooten introduceren prachtige nieuwe termen als `otofoto’ (selfie), die een lang leven beschoren zouden moeten zijn, maar jammer genoeg niet altijd gemeengoed worden. Uiteindelijk haalt maar een zeer klein deel van wat we vinden de Prisma-database – en snel daarna het papier – na zorgvuldige weging en deliberatie, uiteraard.

Maar ook wij lexicografen hebben zelf ook af en toe een verzetje nodig. En dan verschijnt er ineens een woord in onze woordenboeken dat aan geen enkele werkelijkheid is ontleend, maar puur aan de verbeelding van de redacteur van dienst. We noemen ze spookwoorden. Je zult ze in het echt niet tegenkomen en dus ook niet opzoeken, maar ze staan daar toch maar! En we scheppen er eer in om ze `echt’ te laten lijken. En na een paar edities vervangen we ze door andere. Deze zul je bijvoorbeeld niet meer aantreffen:

lambadatol                    tol die tijdens het draaien de lambada laat horen
gummelen                      1) net op tijd de dans ontspringen 2) wijn drinken
librioso                             (muz.) vrijelijk, rubato
en in Duits-Nederlands:
Rammstein                     (der, m) Ramsteen <mythische rots waarin een ram is uitgehouwen>

De `lambadatol’ was een speeltje dat toevallig op het bureau van een redacteur lag. `Gummelen’ verwijst naar een collega die bij zijn afscheid, vlak voor een reorganisatie, heel veel flessen wijn kreeg. `Librioso’ is geen muziekterm, maar (bijna) de naam van de database waarin we onze woordenboeken hebben ondergebracht. En `Rammstein’… tsja, die redacteur heeft een uitstekende muzieksmaak.

Die niet bestaande spookwoorden zijn niet alleen melige grapjes onder collega’s. Het zijn ook functionele, effectieve verklikkers. Duikt ineens één van onze spookwoorden op bij een concurrent – op papier of op internet – dan kunnen we er makkelijk mee aantonen dat ‘ie ons geplagieerd heeft. En zo houden wij en onze collega’s elkaar eerlijk.

20170827

Teruggeven aan De Natuur

Wat hebben we De Natuur veel ontnomen de laatste paar honderd jaar. Wilde flora en fauna hebben we in steeds hoger tempo weggevaagd om steeds meer mensen te kunnen huisvesten. We hebben een hele industrie ontwikkeld waarmee we die mensen steeds gezonder en langer konden laten leven op een steeds hoger levenspeil. Als een olievlek heeft onze beschaving zich over de wereld verspreid. Tot er bijna geen Natuur meer over was.

Het is geven en nemen, weten we. Dus vinden we het goed om De Natuur wat terug te geven van wat we haar ontnomen hebben. We zetten bijvoorbeeld een Zeeuwse polder weer onder water. We ploegen een parkeerterrein om bij een verlaten industrieterrein, net buiten Veenendaal. Of we planten een stel bomen op een overbodige akker in Oost-Groningen. We zetten er een houten hek om en leggen er een wandelpaadje aan met houtsnippers. Voor je het weet vind je er weer kortsnuitzeepaardjes, spiegeldikkopjes en lachsternen. En NS-wandelaars in ANWB-tenue, een boscafé met biologische koffie en homemade gebak.

We streven naar vermindering van de CO2-uitstoot, dus rijden we elektrisch. We scheiden afval tegen de plasticsoep in de oceanen, letten op FSC-keurmerken en EKO-labels. Maar hebben nu eenmaal smartphones, airfryers en yogamatten nodig. En af en toe een barbecue of een stedentripje. Geven en nemen, toch?

Maar even serieus, duurzaamheid is complexe business. We moeten zoeken naar een goede balans tussen menselijke activiteit, dierenwelzijn en zorg voor flora en fauna. Hoe kiezen we bijvoorbeeld tussen meer asfalt of meer files? Tussen fijnstof door fossiele brandstoffen of horizonvervuiling door windturbines? Dat zijn geen makkelijke afwegingen, maar politiek gevoelige zaken met grote economische consequenties. En met veel belangen en partijen, die soms, vaak, liever denken aan het genot en de winst op korte termijn dan aan de effecten op lange termijn.

Wij, consumenten, kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan verduurzaming. Minder vlees, minder vliegen, minder verkeer, om te beginnen. Minder spullen kopen, duurzaam kopen en daarmee producenten en leveranciers stimuleren duurzame producten aan te bieden. We kunnen stemmen op groene partijen en ons verenigen in organisaties die de natuur beschermen. Anderen laten zien dat je zo ook heel fijn kunt leven.

Open deuren ingetrapt? Ja. Is het zo simpel? Vast niet. Is het genoeg om tegenwicht te bieden aan de kortetermijndenkers? Dat weten we op zijn vroegst als het te laat is. Hoe dan ook, we mogen hopen dat we De Natuur er een beetje blijer, gezonder mee maken. En dat is dan tenminste íéts.

20170817

Ontdek ont-, een voorzetsel ontzenuwd

Het voorvoegsel ont- is ontluisterend ondoorgrondelijk. Heb je je bijvoorbeeld ooit afgevraagd waarom `ontbranden’ betekent dat iets begint te branden? Je zou immers kunnen denken dat het juist het tegenovergestelde betekent: ophouden te branden. Denk maar aan `ontsluiten’ (openen) en `ontvetten’ (vet verwijderen).

Zeker als Nederlands je tweede taal is, ben je nog wel eens onthand als je gesprekspartner je begrip ontregelt met zinnen als `Ik ben ontzettend ontgoocheld over het ontbijt’ of `Het was een ontspannen ontmoeting’. Ontnuchterend, als je denkt het Nederlands al behoorlijk ontleed te hebben.

Het voorvoegsel ont- verandert dus op verschillende manieren de betekenis van het woord waar het voor staat. Het kan bijvoorbeeld aangeven:
– het begin van een handeling (ontbloten, ontdooien)
– het einde van een situatie (ontwarren, onthechten)
– een verwijdering (ontvluchten)

Ben je native speaker, dan zul je doorgaans weinig moeite hebben de juiste betekenis te ontraadselen. Misschien helpt het ook als je in het achterhoofd houdt dat het Duitse voorvoegsel `ent-‘ dezelfde functies heeft: entflammen (ontvlammen), entkleiden (ontkleden), entkommen (ontkomen). Ontbeer je deze kennis, dan zul je af en toe ontredderd proberen te ontzenuwen welke ontboezemingen je gesprekspartner zich laat ontvallen.

Wat zou het leuk zijn geweest als `ontlezen’ zou hebben gestaan voor `beginnen te lezen’!

20170810

De praatpaal als zielzorger

Ze zijn begin juli alle 3300 buiten bedrijf gesteld, de gele ANWB-praatpalen. Net als de fluittalen, waar ik eerder over schreef, werden ze ingehaald door nieuwe vormen van communicatie. In plaats van een kilometer te moeten sjokken over de vluchtstrook app je nu ff de pechservice, lekker makkelijk. Maar nostalgie is een hardnekkige mensenkwaal. Zoals eerder de rode Britse telefooncellen waardevolle verzamelobjecten werden, zo willen velen nu zo’n gele `Broer Konijn’ aanschaffen.

Is het alleen nostalgie? Ik kan me de behoefte aan die luisterende gele oren wel voorstellen. Een praatpaal is een levenslijn, een directe verbinding met een onzichtbare instantie die je uit de problemen helpt, een verlosser. Zelfs als ‘ie ontmanteld is, moet het troostend zijn om je hoofd tussen de gele oren te steken, voorover te buigen en zachtjes in de microfoon je nood te klagen.

Vele duizenden automobilisten hebben sinds de ingebruikname van de praatpalen (1973) hun auto langs de kant gezet om contact te zoeken met een anonieme medewerker van de centrale nooddienst. Bij hoeveel van hen ging het niet over panne aan hun voertuig, maar over een defect aan de ziel? Je bent helemaal over je toeren: je accu is leeg, de stoppen zijn doorgeslagen. Of je hebt een verkeerde afslag genomen en nu ben je totaal de weg kwijt. De wielen draaien nog wel, maar er zit niemand achter het stuur. Of je weet niet eens meer waar je überhaupt heen wilde, of waarom.

De praatpaal als metaforische zielzorger is zelfs het woordenboek in geslopen. En nu kun je dus permanent je verhaal doen aan je eigen `Broer Konijn’, in je woonkamer, je achtertuin of op zolder. Geloof je in een hogere macht, dan heb je niet méér nodig om je aan vast te houden: je boodschap zal worden verstaan, zelfs als de aardse centrale nooddienst enkel nog reageert op appjes.

20170802

groenwassen: de Schaal van Smaragd

Veel grote bedrijven leggen graag aan de wereld uit hoe Groen ze zijn. Electronicaconcerns, fastfoodketens, oliemaatschappijen etaleren uitgebreid hoe goed ze presteren op de Schaal van Smaragd. Bouwmarkten en papierproducenten pronken met FSC-keurmerken, wasmiddelfabrikanten met Eko-labels. Supermarkten en witgoedventers steunen knuffelbare groendoelen, van het Wereld Natuurfonds tot de zeehondjes van Pieterburen. Toppunt van `greenwashing’: een bekende hamburgerboer die zijn logo groen schildert.

Maar achter de groene façade gaat vaak een grauwe werkelijkheid schuil. Producten van `duurzame’ cosmeticabedrijven als The Body Shop zitten vol met petrochemische stoffen, synthetische kleur-, geur- en conserveerstoffen. Met een groen label, `pure and natural’, onderscheiden schoonmaakmiddelen, luiers, frisdranken en kleding zich voor het oog van de concurrent, maar de productie ervan kost enorm veel water en grondstoffen en levert enorm veel vervuiling en afval op. Easyjet vliegt `groen’, BP verkoopt `milieuvriendelijke’ benzine, nee écht. Autoproducenten `verduurzamen’ hun producten met sjoemelsoftware.

Wij consumenten vinden duurzaamheid belangrijk en dat ís het ook: wij willen tenslotte allemaal een gezonde, fijne wereld nalaten aan onze kinderen en kleinkinderen. Dus we nemen het zekere voor het onzekere en klampen ons vast aan de frisgroene blaadjes op de verpakking, `handgeschreven’ aanbevelingen – `puur’, `geïnspireerd door moeder Natuur’ – en andere slim bedachte marketingtrucs. Vooral Engelse termen – `organic, herbal, natural’ – doen het goed.

Maar zit er iets anders op dan ons gezond te verstand te gebruiken? Hoe minder plastic en synthetische rommel je koopt, hoe blijer het milieu is. Hoe minder vlees je eet, hoe minder je reist, hoe kleiner je ecologische voetafdruk. En je houdt nog geld over ook.

20170727

Team Friet vs. team Patat

Een paar maanden geleden verscheen de prachtig geïllustreerde `Atlas van de Nederlandse taal’ (Lannoo), in twee edities: een Nederlandse en een Vlaamse. Dat is niet voor niets.

Natuurlijk lijkt hun Nederlands, zolang we elkaar niet spreken dan toch, veel op het onze. Toch heeft het Nederlands zich in België heel anders ontwikkeld na de afscheiding van Nederland in 1830. In Nederland was en bleef het de vanzelfsprekende taal der natie, waar het zich in België voortdurend moest meten met het Frans.

Daarbij speelde voortdurend de kwestie of men zich in Vlaanderen wilde bedienen van het Standaardnederlands of daar een eigen versie van wilde ontwikkelen, op basis van de vele dialecten en tongvallen die Vlaanderen rijk is. Men koos als norm het Nederlands dat in Nederland werd gesproken.

Afgelopen decennia kreeg Vlaanderen economisch en politiek meer in de Belgische pap te brokkelen. Vlamingen werden fierder op hun Belgisch-Nederlands dat zich ontwikkelde tot een eigen standaardtaal, met een eigen uitspraak, minder afgemeten naar wat er benoorden de grens werd gesproken.

In de AvdNT vinden we daar prachtige voorbeelden van:

BN                                   NN

wijsheidstand                verstandskies
fluisterasfalt                   zoab
ik zie u graag                 ik hou van je
zeker en vast                 vast en zeker
onder de sloef liggen    onder de plak zitten

Sommige woorden en begrippen kennen Belgen en Nederlands van elkaar niet. Nederlandse pieten strooien met pepernoten, Vlaamse met nicnacjes. Een Vlaming haalt geld uit de muur met een protonkaart, een Nederlander met een pinpas.

Prisma onderkende als eerste dat het Nederlands twee gelijkwaardige varianten heeft: Belgisch- en Nederlands-Nederlands. Deze legden we in 2009 voor het eerst formeel vast in ons `Handwoordenboek Nederlands’. Niet alleen de typisch Belgisch-Nederlandse woorden en uitdrukkingen markeerden we met een label, ook de typisch Nederlands-Nederlandse, die in Vlaanderen niet verstaan (begrepen) worden. Gelijkwaardig dus.

Zo verschijnt ook deze `Atlas van de Nederlandse taal’ dus vanzelfsprekend in twee edities, onder redactie van een `team friet’ en een `team patat’, zoals Nicoline van der Sijs het wat melig verwoordt in de inleiding. Bijna alle behandelde thema’s zijn identiek, maar alle teksten zijn door Belgen en Nederlanders geschreven vanuit de eigen invalshoek, eigen meningen, gedachten en gevoelens over standaardtaal, het Engels, dialecten en wat `de norm’ is.

De prachtige site bij het boek is wel `gemengd’, de FaceBookpagina ook. Van harte aanbevolen!

20170720

Fluittaal

In de bergen van Turkije en op veel andere plekken in de wereld kon je ze tot kort geleden nog vaak horen: gefloten berichten. Een handig middel om kloven te overbruggen: een herder zet zijn vingers aan de mond en vertaalt zijn boodschap in een reeks hoge en lage fluittonen. Aan de andere kant van het dal spitst men de oren en begrijpt: `wolven hebben twee schapen opgepeuzeld’, of `schat, ik ben een uurtje later thuis’.

Helaas: herders en boeren gingen na eeuwen fluiten in amper één generatie over op mobieltjes en scooters. En weer ruimt een bijzonder folkloristisch fenomeen het veld, ingehaald door de vooruitgang.

Of zijn fluittalen nog te redden? Veel mensen zijn op zoek naar hun wortels tegenwoordig en veel ervan hebben de tijd. Misschien dat zij de tradities in veiligheid willen brengen waarvan zij zelf nooit deel hebben uitgemaakt. Ze zullen zoeken in bejaardenhuizen en vervallen herdershutten naar gammele landgenoten die ooit, toen ze nog viefe boerenjongens en pronte herdersmeisjes waren, elkaar fluitend de liefde verklaarden, in gecodeerde boodschappen afspraken: `hoe laat, waar?!’

De tandeloze, stokkedove oudjes kunnen het daadwerkelijke fluiten helaas niet meer demonstreren, maar de wortelzoekers, stel ik me zo voor, noteren op hun mobiele devices ijverig het gebrabbel dat zij voor uitleg aanzien. Ze zoeken zich een ongeluk naar de fluitgeluiden die hun voorouders als woorden in de oren moeten hebben geklonken. Ongetwijfeld lukt het ze om een aangenaam klinkende `reconstructie’ te maken, zoals we in openluchtmusea reconstructies kunnen zien van dorpen uit de Steentijd, of nagespeelde veldslagen. Geen ziektes, stank of bloed, maar je krijgt een beetje een indruk. De wortelzoekers bouwen een museum en een database+website, zodat het prachtige fenomeen blijft voortbestaan.

Of beter nog: het Ministerie van Toerisme begint rondleidingen met gidsen, wandelingen en scootertours, langs berg en dal. Demonstraties van goed opgeleide, authentiek ogende acteurs die zich hebben bekwaamd in de fluittaal van die regio. Na afloop een traditionele maaltijd met drank en entertainment, voor een heel redelijke all-inprijs. Applaus!

Zo ging het met de olijk springende Masai, de dansende derwisjen uit Anatolië, de indianen met hun vredespijpen en veren, fakirs op hun spijkerbed, vissers op Marken. Allemaal hebben ze hun plek gevonden in de groeimarkt van naar beleving en echtheid hunkerende wortelzoekers. De vrijetijdsindustrie profiteert er fluitend van mee.

20170707

Engelse ziekte

Rachitis – je krijgt er kromme benen van – ontstaat door een gebrek aan vitamine D en calcium. De ziekte werd voor het eerst onderkend in Groot-Brittannië, in de begindagen van de Industriële Revolutie. Kinderen maakten er lange dagen in de fabrieken en zagen amper de zon, vandaar dus.

De volksnaam voor rachitis, Engelse ziekte, heeft een talige bijbetekenis gekregen, bedacht door iemand die zich stoorde aan Engelse leenwoorden, anglicismen, verkeerd spatie gebruik en fake friends.

Wij hebben ons vol overgave laten besmetten. In ‘t begin ging dat met een vertederende onbeholpenheid. Beef steak werd biefstuk en roast beef rosbief. Blue band sprak je uit als [bleu band] en sweater als [swieter]. Menig wielrenner spreekt nog steeds over [toeklips] en niet over [toowklips] en geen Nederlander zegt [foowk- loR]  als ‘ie folklore bedoelt.

Maar die milde vorm van Engelse ziekte is gemuteerd en het Engels heeft zich comfortabel in ons collectieve taaleigen genesteld, vooral in finance, marketing en entertainment. Ergens werd boekhouding accounting,  een spelletje een game. Ergens werd het cursiefje een column, een tijdschrift een magazine, dienstverlening service, een radio een receiver.

Er zijn mensen die met gekromde tenen en samengeperste lippen constateren dat etherische oliën tegenwoordig `essentieel’ worden genoemd. Dat mannen in november een snor `groeien’, als actie tegen prostaatkanker. Maar de meeste Nederlanders hebben het Engels `omarmd’. En dat gaat gepaard met kromme armen, niet met kromme benen.

20170618

ALLES MOET WEG!

Veel winkelstraten in Utrecht lijken op een gatenkaas, of een rot gebit. In de strijd tegen de dozenschuivers van het internet leggen steeds meer klassieke winkels het loodje. Vastgeroeste, bejaarde ketens sluiten de knarsende deuren. Da’s mooi, want zo ontstaat er ruimte voor nieuwe, kleine zaakjes, creatieve geesten en woonruimte. Maar dat terzijde.

Vaak gaan in de laatste weken de etalages van zieltogende winkels in de paniekstand. Krijsende chocoladeletters beloven kortingen die, naarmate het uur U vordert, steeds meer economische wetten tarten: 50, 70, 80 procent korting. Terneergeslagen personeel schuifelt doelloos tussen de halfvolle schappen, ontwijkt de medelijdende blikken van voorbijgangers.

ALLES MOET WEG is de ultieme boodschap waarmee de winkelier zichzelf overlevert aan de genade van de klant. Deze zal het een zorg zijn wat de winkelier met zijn winkeldochters aan moet. De push-leus waarmee de winkelier zijn eigen wanhopige verlangen ventileert, staat haaks op de behoefte van de consument, die op zoek is naar een leuk voordeeltje, een onverwacht koopje.

Zou de winkelier kiezen voor het waarschuwende ALLES GAAT WEG, zou dan de pull-factor niet veel groter zijn? Daarmee zeg je: `Hee, dit is niet een onttakelde uitdragerij, maar hier wil je je slag slaan nu het nog kàn. Als je te laat bent, is het je eigen schuld!’

Zoiets komt misschien wat arrogant over, maar wat straal je liever uit in het aanzicht van een vol magazijn vol winkeldochters en een nakend bankroet?

20170608

Hikkuur

Het is leuk om iets te weten of te kunnen wat weinig anderen kunnen of weten. Het geeft een zekere macht. Je kunt er anderen mee verbluffen, overtroeven of te kakken zetten. Het kan zich ook tegen je keren, bijvoorbeeld als je in het gevlei wil komen bij de leraar, maar je je daardoor vervreemdt van je klasgenoten.

Klakkeloos op je trucje vertrouwen maakt je ook kwetsbaar. Stel dat het ineens niet meer werkt en je hoort ineens het natuurijs van je zelfvertrouwen kraken…

Mijn trucje leerde ik in een lesuur Latijn. De docent, Maarten Etmans, was een imposante verschijning met vervaarlijke donkere wenkbrauwen en een enorme baard. Kleedde zich in dikke vesten, bruine corduroy broeken en sandalen met wollen sokken. Tijdens proefwerken boog hij zich over enorme schaakboekwerken, als hij niet met half dichtgeknepen ogen rondloerde of een van ons spiekte.

Hij speelde met ons bleue gymnasiastjes als een sluwe vos met een veldmuis. Hakkelde je een fout antwoord, dan noemde hij je in een milde bui `konijn’. Anders bleef hij je onbeweeglijk aanstaren tot je niet meer wist waar je het zoeken moest van de zenuwen. Er zijn er in huilen uitgebarsten.

Een van mijn klasgenoten, een tengere studiebol, kreeg ooit de hik bij een mondelinge overhoring. Etmans was in een goede stemming en liet bij de conciërge een glas water en een tafelmes halen. Hij zette het mes met het lemmet naar beneden in het glas en beval het arme slachtoffer het in één teug te legen. Het konijn dronk, het heft tegen zijn wang gedrukt. Meteen was hij miraculeus van zijn hik genezen!

Ik heb sinds mijn dertiende tientallen malen deze remedie aanbevolen als iemand de hik kreeg. Doorgaans reageerde men sceptisch – `dat werkt toch nooit?’ – of probeerde men de psychologie erachter te duiden – `ah, dus je concentreert je op dat mes, niet meer op je hik’. Maar het mes in het glas water werkte altijd, elke keer weer. En bij elke keer groeide het vertrouwen in mij, het overwicht van mijn kennis. En elke keer straalde ik dat vertrouwen meer uit.

Totdat het me ontglipte… Het was een prachtige zomeravond, een bruiloftsfeest waar ik speelde met mijn jazztrio. De pianist had last van een hardnekkige hikaanval, dus ik pochte bijna achteloos met de methode-Etmans. Hij twijfelde, maar liet zich toch overhalen. Mijn hart zonk in mijn schoenen, toen 10 seconden na het ledigen van het glas het middenrif van de pianist zich weer eigenmachtig samentrok, waarop de strotklep hard sloot: HIK! Vijf minuten later hikte hij nog steeds. Ik was ontmaskerd, een kwakzalver. Quod erat demonstrandum.

Als ik mezelf nu op de divan leg, zie ik een schuchtere puber, geïmponeerd door een oudtestamentische halfgod, wiens autoriteit pas na decennia zo was afgezwakt dat het placebo-effect van zijn hikkuur niet meer geloofwaardig was.

Jammer voor de pianist en andere, toekomstige hikkers, dat dan weer wel: ik zal nooit meer op de truc vertrouwen.

20170528

Vergelijkingen als sloopkogels

Een paar jaar geleden vond Geert Wilders de Koran `erger dan Mein Kampf’ (en ik vermoed dat hij sindsdien niet van mening is veranderd). Weldenkend Nederland was ontzet: je kunt de Koran toch zeker niet met Mein Kampf vergelijken?! Eh… jawel hoor, en daar is op zich niets mis mee. We vergelijken allemaal.

Als je vergelijkt, onderzoek je X en Y en stel je vast wat de overeenkomsten en verschillen zijn. Een appel is een vrucht en een peer ook, maar de een bewaar je voor de dorst en als de ander gebakken is, blijf je ermee zitten. Of je onderzoekt met welk van de twee je de beste eau-de-vie maakt, of stroop, welke het langst houdbaar is of het lekkerst smaakt? Het is maar net wat je wilt weten en meten. Stel de goede vragen, vergelijk, onderzoek, evalueer. Helder.

De Koran en Mein Kampf zijn ook goed vergelijkbaar. Er zijn zelfs best wat overeenkomsten: beide zijn geschriften die grote groepen mensen hebben geïnspireerd, tot grote daadkracht gebracht en de loop van de geschiedenis beïnvloed, om neutraal te beginnen. Er zijn ook verschillen: de Koran staat in een religieuze context en Mein Kampf is vooral politiek gedreven.

Wilders stelt dat in de Koran meer anti-Joodse passages staan dan in Mein Kampf. Hoe onderzoek je dat? Woorden tegen elkaar wegstrepen? Het percentage berekenen? Zijn sommige passages anti-Joodser dan andere? Dat vraagt nogal wat gepuzzel. Wilders vindt de Koran vooral erger omdat hij meent dat moslims de geboden van de Koran strikt volgen. Nou ja, dat valt maar te bezien. In de uitoefening van hun anti-Joodsheid waren de navolgers van Hitler behoorlijk gefocust. Moslims zelf zijn het vaak onderling zo oneens dat ze juist elkáár met messen, kogels en bommen te lijf gaan.

Gaat het echt om die passages? Waarom richt Geert zijn – en onze – aandacht op Mein Kampf, als hij het over de Koran wil hebben? Niet om een zinvolle vergelijking te maken. Hij gebruikt het meest gehate boek dat ooit is verschenen om dat andere boek nog gehater te maken. Dat is een oud retorisch truukje. `Kopvoddentaks’ was ook een beeldende vondst van jewelste die in de media goed heeft gescoord.

Ben je niet uit op waarheidsvinding of een zinvolle dialoog, sla dan je opponenten elk argument uit handen met vergelijkingen als sloopkogels, waarop geen zinnige repliek mogelijk is.

[20170512]

Kennis is kneedbaar

ISIS is een zionistisch complot om de islam te demoniseren. Dit wordt nog door velen betwist, maar deze waarheid laat zich op internet de mond niet snoeren. Uiteindelijk wordt dit de algemene mening en daarmee een onweerlegbaar feit. Kennis is kneedbaarder dan ooit.

Ooit werd alle informatie van mond tot mond doorgegeven, zoals de Odysee, in dichtvorm. Wie het verhaal het best kon vertellen, aan een enkeling of een kleine groep mensen, had de aandacht en daarmee de macht.

Toen het verhaal geschreven kon worden, geschilderd, of gedrukt op kostbaar papier, werd informatie een kostbare aangelegenheid. Enkel de Bijbel, de Wet, geldzaken en de kronieken van de heersende klasse waren het beschrijven waard. En omgekeerd: wat geschreven stond, was de waarheid. Wie het papier beheerste, bepaalde wat de massa geloofde, wie het recht en het geld had, en zelfs hoe de geschiedenis was verlopen. De machthebbers lieten op schrift aantonen dat ze afstamden van de goden, of legendarische voorouders, en dus legitiem heersten over Egypte, Griekenland, Rome, China, India, Europa, de Nieuwe Wereld, de rest. En wie kon ze tegenspreken?

Tot ver in de 19e eeuw was het verspreiden van informatie, en zelfs de directe toegang ertoe, grotendeels voorbehouden aan de happy few. Met de industriële revolutie en de komst van fotografie, geluidsopname, film, radio en tv explodeerde de informatieoverdracht. Wie deze media beheerste, kon een multinational, een superster, een Derde Rijk creëren. Met zorgvuldig gecomponeerde propaganda, goed doordachte reclame kon je zo goed als de hele wereldbevolking bereiken, informeren, manipuleren, infecteren. Nog steeds van bovenaf.

Deze status quo is met het internet en de sociale media in een recordtempo doorbroken. Twintig jaar geleden had nog bijna geen enkele particulier meer mogelijkheden om informatie, kennis of mening te delen dan een (ingezonden) brief, een (vaste) telefoon of een deelname aan een demonstratie. Nu kan iedereen die handig is met een telefooncamera een vlog beginnen, een tirade afsteken op Twitter of Facebook en zo potentieel de gehele internetcommunity bereiken. De wereld is een dorpsplein geworden, met miljoenen zeepkisten.

Twintig jaar geleden had nog bijna geen particulier andere mogelijkheden om informatie te verzamelen dan via het reguliere onderwijs, de gedrukte pers, radio of televisie. Inmiddels is de kennisconsument gewend geraakt aan ongecontroleerde, vrije, `democratische informatie’, uit een verbluffend aantal bronnen. Gratis, gesponsord of betaald; al dan niet belast door slordigheid of domheid, al dan niet gedreven door religieuze of politieke agenda. Officiële bronnen worden ontmaskerd door particulieren, maar ook die kunnen met simpele apps beeld en geluid manipuleren tot de werkelijkheid past binnen hun overtuiging. Al die al dan niet zorgvuldig geknede kennis…

En wij moeten kiezen tussen al die aanbieders. En we doen dat, blijkt, op eigen, volstrekt logische wijze: `ik kies de waarheid die het best bij mijn opvattingen past, de feiten die het best overeenkomen met mijn eigen wereldbeeld.’ Als het niet waar kan zijn, dan is het dus niet waar. Kiezen wat jou waar lijkt, waar is, op basis van je eigen voorkeuren en ook… op je bereidheid om informatie te aanvaarden die gecontroleerd, getoetst is. En daar zelfs voor te betalen, of niet. Het is niet langer de krant, dat dure, trage, oude medium, dat bepaalt wat er op jouw voorpagina komt. Het zijn niet langer de autoriteiten die je op hun woord gelooft. Jij bent de koning van je eigen selectie van waarheden en niemand die jou nog kan tegenspreken.

Nu is het dus het totaal van ons informatieconsumenten die met onze keuzes bepalen hoe onze gezamenlijke waarheden er gemiddeld uitzien. Hebben er echt mensen op de maan gestaan? Zoek op internet en je ziet meer scepsis dan je misschien verwacht. Werd MH17 neergehaald door een Russische of een Oekraïense raket? Per ongeluk of expres? We zullen het nooit weten, door het bombardement van tegenstrijdige verhalen van regeringen en ooggetuigen. Maar uiteindelijk komt het mooiste verhaal met de langste adem in de geschiedenisboekjes, bij wijze van spreken dan.

20170415

Slobkousen en Gijsbrecht

Dagobert kende ik als jong kind enkel als de gierige oom (Engels: Scrooge McDuck) van Donald Duck, held van mijn vrolijke weekblad. Toen ik later door een geschiedenisboek bladerde en las dat er ook een Frankische koning Dagobert was, stond ik versteld. `Geboren in Épinay-sur-Seine, 603.’ Zou deze ook slobkousen – magisch onbekende kledingstukken – hebben gedragen?

Kort geleden kwam ik in de Prisma Frans-Nederlands de uitdrukking `à bras raccourci’ tegen, `met al zijn krachten’. Verdomd, da’s Abraracourcix, stamhoofd van het Gallische dorp van Asterix. En de bard, realiseer ik me nu, heet Assurancetourix, allriskverzekering.

Erger nog: Vondels Gijsbrecht las ik niet tijdens mijn studie Nederlandse taal en letteren, maar de eerste regels leerde ik als tienjarige al wel kennen toen Donald Duck met veel bombast en opgeheven wijsvinger debiteerde: `Het hemelsche gerecht heeft zich ten lange lesten / Erbarremt over my en mijn benaeuwde vesten’.

Wat een prachtige botsing van getekende en geleefde werkelijkheden. Wat een schat aan context bevatten zelfs die vaak zo geminachte stripalbums: zinspelingen, dubbele bodems en toevalligheden – in het origineel of in de bewerking al dan niet bedoeld toegevoegd door de auteur. Het is aan de verbeelding van de lezer, met al zijn/haar kennis, ervaring, taalgevoel en geest om ze eruit te pikken.

20170406

Show, don’t tell

Dit is een heel kort stukje over een ijzeren wet uit de wereld van film en theater. Je hebt maar heel weinig, of geen, woorden nodig als een beeld helder en effectief je verhaal vertelt. Een acteur die verbouwereerd kijkt omdat zijn personage keihard gedumpt wordt door zijn mooie tegenspeelster, hoeft niet alsnog uit te roepen `maar ik was er zó van overtuigd dat je met me wilde trouwen!’

Twee voorbeelden:

Cirkel: de verzameling punten in een plat vlak met een constante afstand tot een centraal middenpunt.
Diameter: afstand tussen een punt op een cirkel en het punt dat er precies tegenover ligt.
Straal: de afstand van een willekeurig punt op de rand van een cirkel tot het middelpunt.
Middelpunt: het punt dat tot alle punten op de omtrek dezelfde afstand heeft.

Beschrijf zelf het gevoel dat Leonardo hier probeert over te brengen.

Valt niet mee, hè? Een cocktail van energiek, onbeteugeld optimisme, om maar een voorschotje te geven.

Als overtuigd woordenboekenmaker heb ik hiermee wel een probleem. Ik ga uit van een afgeronde wereld waarin elk object, concept en gevoel uit te drukken valt in de taal die eromheen cirkelt. En dat kan ook. Maar als het doel is om iemand iets snel duidelijk te maken, is beeld soms een beter middel dan taal.

20170330

Over toevallige gaten en neologismen

Stel, je vergelijkt onze taal met het heelal – en de woorden die we gebruiken zijn sterren en planeten – dan is er nog een heleboel `donkere materie’, woorden die we niet kunnen waarnemen, maar wel bestaanbaar zijn.

Neem bijvoorbeeld `spoedig’ en `slordig’. De eerste is het bijvoeglijk naamwoord van `spoed’, maar `slord’ klinkt wat vreemd. Datzelfde verschijnsel zie je bij `moedig’ en `manmoedig’: je hebt wel `moed’ maar niet `manmoed’.

Verander je een werkwoord in een zelfstandig naamwoord, dan vallen er ook gaten. Je kunt wel `bevallen’ en zo een `bevalling’ ondergaan, maar gewoon `vallen’ en dan een `valling’ meemaken?

Veel van die toevallige gaten – mijn vertaling van de Engelse term accidental gap – kun je vinden door te spelen met voor- en achtervoegsels: besuisd/onbesuisd, onvergetelijk/vergetelijk, hervinden/herzoeken, radeloos/radelijk. Hetzelfde geldt voor samenstellingen: waarom kan een leger wel luchtsteun geven, maar geen zeesteun, of landsteun?

Soms is een woord wel aanwezig in de ene taal en niet in de andere. Waar veel talen een woord hebben voor `broer of zus’ (Engels: sibling), moeten we het in het Nederlands zonder stellen. En waarom zouden alleen de Belgen zich mogen bedienen van het prachtig symmetrische `schoonbroer’ waar wij `zwager’ zeggen?

Elke dag manifesteren zich nieuwe woorden, neologismen, schijnbaar uit het niets. Vaak banale aaneenrijgingen zoals `kopvoddentaks’ of `Oranjebabe’ – doorzichtige samenstellingen, zoals lexicografen ze noemen. Of voor de hand liggende barbarismen als `twitteren’. Vele zijn eendagsvliegen of, om de analogie door te zetten, vallende sterren. Ze vlammen even op, zolang ze een functie hebben in het sociale, politieke, technologische leven en verdwijnen dan weer in het immateriële. Sommige zijn slim bedacht, zoals Kees van Kootens `otofoto’ (selfie), helaas te gekunsteld om levensvatbaar te zijn.

Maar er zijn ook wonderlijke vondsten die zich bijna als vanzelf nestelen in het collectieve brein van de taalgebruiker. `Ontlezing’ is een mooie, als woord dan. Een relatief nieuwe ster aan het taalfirmament. En als we het nieuws mogen geloven, dan is het helaas een blijverdje, geen vertrekkertje.

20170323

Proef je taal

Vaak zijn woorden en uitdrukkingen niet meer dan vervoermiddelen voor je gedachten. Je luistert er niet eens meer naar: je praat alsof je fietst. Gelukkig maar. Zou je aan elk woord blijven hangen, dan zou elke gedachtegang behoorlijk tijdrovend worden.

Sta je wel wat langer stil bij wat je zegt, dan blijk je voortdurend prachtige beelden te creëren, die je wegvoeren van de prozaïsche werkelijkheid. Maar pas op: voor je het weet, loopt deze bezigheid een beetje uit de hand. Een beetje! Een `kleine beet’, een klein hapje dus eigenlijk. Uit de hand lopen! Je ziet het zo voor je, bijna. Je hebt de situatie in de palm van je hand maar je kijkt even weg en ze gaat ervan door als een driejarige op de kermis.

In veel van onze woorden proef je de oorspronkelijke taal. Petieterig komt van het Franse `petit’, maar het wordt nog nietiger door ons achtervoegsel `-erig’. Een serpentine is wel helemaal Frans, maar hoe vaak zie je het `slangetje’ dat het voorstelt? En die pipet die eigenlijk een `kleine pijp’ is?

En blijf ook eens hangen aan heel Nederlandse uitdrukkingen als jezelf bedruipen, aan de dood ontsnappen of iets met iemand te stellen hebben. Vat ze eens letterlijk op. Opvatten is ook mooi, `oppakken’ dus. Dit is je reinste taalculinaria. Laat af en toe de woorden eens langzaam over je tong heen en weer rollen en geniet.

Maar pas dus wel op: het kan je je vrijheid kosten (verslavend zijn).

20170316

`Zul je net zien dat…’

Je haalt de trein op het nippertje, sollicitatiegesprek om half 10 in Den Haag. De deuren sluiten achter je en de trein trekt op, richting Amsterdam. Je had die van spoor 7 moeten hebben, niet die van spoor 5. Waar is spoor 6 trouwens gebleven?

Je houdt je altijd aan de verkeersregels – `als iederéén dat nou zou doen…’ – maar net die ene keer dat je een rood lichtje pakt – niemand in de buurt, geen zuchtje gevaar of hinder – staat Bromsnor achter een boom, met zijn boekje in de aanslag. Of je doneert al jaren aan Jantje Beton, zetten ze pal voor jouw huis een speeltuintje neer waar tot diep in de nacht geblowd en gedeald wordt – overdag is er geen Jantje te bekennen.

Er zijn talloze manieren om onheil, verdriet, ongeluk, te dragen. Je kunt ermee worstelen, het verwerken als een keukenmachine of een printopdracht, erin blijven hangen als in een visnet. Je kunt het negeren als een roze olifant of het loslaten als een loeihete ovenschaal. Je kunt het zien als iets dat nu eenmaal op je pad ligt – `het is zoals het is’ zeg je dan, met stoïcijns fatalisme.

Je kunt ook proberen het leed klein te lachen: terug in je hok! Zoek en zie de ironie van alweer een kilo peilloos liefdesverdriet, een venijnige splinter op een gevoelige plek of een pinpas, vergeten op de balie.

Gebruik ironie eens als schokdemper voor toekomstige rampspoed. `Ik rook drie pakjes per dag… zul je net zien dat ik overreden wordt door een bestelauto van de Priméra’. `Eindelijk eens een goede beoordeling van mijn baas gekregen… wedden dat ik over twee maanden alsnog wordt weggereorganiseerd?’ `Volgende week op skivakantie… zal morgen de dooi wel inzetten’.

Het mooie is dat al dat akeligs helemaal niet hoeft te gebeuren. Zo vorm je met die anticiperende ironie een voedingsbron van troost en vertrouwen voor de toekomst: dit alles is me toch maar mooi níet overkomen, boffer die ik ben. Er gaat misschien veel mis, maar er gaat ook onwaarschijnlijk veel juist góéd, in het verkeer, de keuken, met het afsteken van vuurwerk, kerncentrales, oude elektriciteitssnoeren, mijn eigen organen, ladders en riolen.

`Als je geen vertrouwen hebt, dan mis je iets groots in je leven’, zei een Italiaanse matrone nadat een aardbeving haar huis had verwoest. Ik heb die baan in Den Haag toen wel gekregen.

20170304

Drie bekende Utrechters

Sylvia Kristel

Utrecht een `groot dorp’, een benepen provinciestadje? In Amsterdam denkt men er graag zo over. Zij hebben Xaviera, happy hooker, plat en voos. Wij hebben Sylvia, voor altijd Emanuelle.

De frêle grande dame van de chique erotiek, icoon van de wufte, exhibitionistische en door en door decadente jaren ’70, gaf zich bloot met tragische blik, in een sluier van dromerige belichting en omfloerste violen. Daarachter de coke, de drank, het kettingroken. De tol van haar intense bestaan droeg ze waardig.

Na Sylvia werd Emanuelle nog veel vaker vertolkt door de veel minder bekende, maar zeker zo exotische Utrechtse Laura Gemser.

Anna van Schurman

Tot in de 10e eeuw betoogden theologen dat vrouwen geen ziel hadden. Tot Copernicus stond de aarde in het middelpunt van het heelal. Ook nu nog wordt aperte domheid gedoceerd, verdedigd en tot deugd verheven.

Anna moest heel wat tegenstand overwinnen, voordat zij in 1636 als eerste vrouw colleges mocht volgen aan onze universiteit, achter een gordijn, buiten het zicht van de mannelijke studenten. Een buitengewoon begaafde en veelzijdige vrouw.

`Sol iustitiae, illustra nos’, zon van de gerechtigheid, verlicht ons; verlicht ook de mensen die het gemunt hebben op meisjes als Malala Yousufzai, die door het hoofd werd geschoten omdat ze onderwijs wilde.

Karel Doorman

Wel vier schepen heeft onze marine genoemd naar deze schout-bij-nacht, het vierde in 2014. Schuldgevoel?

Feit is dat houwdegen-op-veilige-afstand admiraal Helfrich Karel Doorman preste om, tegen beter weten in, de Japanners in de Javazee aan te vallen. Deze deed dat met het commando `all ships – follow me’, heroïsch vertaald als `ik val aan, volg mij’. Doormans eskader werd vrijwel totaal vernietigd en hij ging – zoals het hoort – met zijn vlaggeschip ten onder. Utrecht eert ‘m met een laan, met uitzicht op de Berekuil.

Helfrich ging in 1949 met pensioen, schreef zijn memoires en overleefde Doorman met 20 jaar.

20170223

Train je schrijfspieren – een paar tips

Het was zo’n goed voornemen: elke week een blog schrijven, maar na een gloedvolle start is het je na een tijdje toch weer wat ontglipt. En nu staar je naar een leeg scherm en vraag je je af hoe dat ook alweer gaat, schrijven. Herken je dat?

`Creativiteit is een spier die verslapt als je ‘m niet gebruikt’ zei iemand me ooit eens. Dat klopt ook voor schrijven, en er bestaan meerdere spiergroepen. Je schrijft voor een publiek (mogelijke klanten, toevallige passanten, vrienden, klanten), in een vorm (column, tweet, liedtekst), met een doel (amuseren, informeren, overhalen). Allemaal facetten van het allround schrijverschap die je kunt trainen om fit te blijven.

Pak het weer eens op. Hier  zijn een paar tips voor  als je vastloopt.

Schrijf niet, maar spreek en neem jezelf op met je smartphone. Zo laat je je geest de vrije loop en geef je jezelf de ruimte om heel je onderwerp uit te diepen en te experimenteren. Luister jezelf terug en noteer de bruikbare gedachten.

WWWHW? Benader je onderwerp als een journalist en beantwoord alle vragen: wie, wat, waar, hoe en waarom? Dat levert soms een heel nieuw perspectief op.

Verander van perspectief. Verplaats je in de rol van een andere partij in je verhaal. Die kan je misschien een heel andere kant van de medaille laten zien.

Voor wie schrijf je ook al weer? Hoe zien die mensen eruit, wat doen ze, wat raakt ze? Spreek ze daarop aan, letterlijk: zet een foto neer van mensen die je publiek zouden kunnen zijn en praat tegen ze.

Zorg voor afwisseling. Dan weer een actuele, geestige tweet, dan weer een ernstige column van 400 woorden.

Doe het regelmatig, al is het maar een kwartier per dag. Dat kost wel discipline natuurlijk, maar je zult zien dat het je steeds gemakkelijker afgaat.

Leg jezelf een deadline op. Dat werkt voor mij vaak goed: `binnen een uur heb ik dit stukje af en telt het 300-400 woorden’. Meestal lukt dat, zoals nu. Als ik de tijd heb, leg ik de tekst weg en reviseer ik ‘m de volgende dag. Zo niet, reviseer dan direct, maar stel jezelf wel een nieuwe deadline. Onder druk wordt alles vloeibaar en de geest creatief.

20170216

Toch nog hoop voor Esperanto?

Arme Zamenhof. Met de beste bedoelingen stelde hij het Esperanto samen. Een kunstmatige taal, makkelijk te leren, regelmatig, de gedroomde overbrugging tussen volken, culturen. Nooit meer geworden dan een curieus stukje huisvlijt, gekoesterd door wereldvreemde idealisten.

Vreemd genoeg heeft het Engels het wél ver geschopt in de wereld, als voertaal van het British Empire, waar de zon nooit onderging. Moeilijk te leren, complexe werkwoordstijden, weerbarstige woordenschat. En hoe krijgen ze het voor elkaar om eenzelfde klank telkens anders te schrijven (use, juice, loose)? – Nogal lastig, is het niet? – Het is. Bij de weg, het regent katten en honden!

De verspreiding van het originele Engels heeft geleid tot tientallen lokale varianten, zoals bv. op Jamaica. Ontcijfer dit eens:
`Kaman yuusij rienj frahn Jumiekan hInglish to braad patwa wid bout chrii digrii a separieshan, aafn iina di wan piika siem wan kanvasieshan.’*

Misschien leiden alle wereldwijde contacten uiteindelijk wel tot één grote mengtaal, met lokale dialecten. Experts praten al over Panglish – een wereldwijde, simpele mengtaal op basis van het Engels. Komen we – of althans onze nakomelingen – langs natuurlijke weg misschien toch nog tot een soort Esperanto.

* `Common usage ranges from Jamaican English to broad patois with about three degrees of separation, often within a single speaker’s conversation.’ (www.omniglot.com)

20170208

B1, ERK en je publiek

Als je je boodschap aan een groot publiek wilt overbrengen, dan moet je helder en eenvoudig zijn. Daar is al een paar jaar een keurmerk voor: het Europees Referentiekader voor de Talen. Het omvat zes niveaus van taalvaardigheid, van heel laag (A1) tot heel hoog (C2).

B1 is het derde niveau en 70% van de bevolking stijgt daar niet bovenuit. Ter illustratie: stel je het taalniveau voor dat je in de Telegraaf aantreft. Taalbureaus ontwikkelen regels om B1 grijpbaar te maken, zoals `een zin mag maximaal 10-15 woorden bevatten’. Daar ontwikkelen ze software voor, die ook vaktaal en figuurlijk taalgebruik signaleert. Ze waarschuwen: als je site, folder, brief niet B1 is, dan is het verspilde moeite, weggegooid geld.

Is dat terecht? Ja en nee. In het algemeen moet je het je lezer niet moeilijker maken dan strikt noodzakelijk. In drie punten:

  • Gebruik geen vaktaal als dat niet nodig is.
  • Houd je zinnen kort.
  • Figuurlijk taalgebruik, dubbelzinnigheid, ironie: alleen als deze geen verwarring veroorzaken.

Maar de zes niveaus van het ERK zijn in boterzachte termen omschreven, zoals `Ik kan een klacht uiten, aannemen, doorgeven’ (B1). Ik denk dat dat op alle niveaus kan, van `dit werkt niet’ (A1?) tot `ik heb mij nog niet kunnen verblijden in een onberispelijk functioneren van onderhavig mechaniek’ (C2?).  Vraag is wat je zo meet: woordenschat en grammaticale correctheid of effectiviteit van de taaluiting?

`Alles moet B1′ is de gedachte. Daar ligt mijn tweede bezwaar: iemand die gewend is aan taalniveau C2 heeft er wellicht helemaal geen behoefte aan te worden aangesproken op B1-niveau. De boodschap komt mogelijk niet aan, omdat die persoon niet geprikkeld wordt om ‘m aan te nemen. Vandaar mijn vierde punt:

  • Houd rekening met je publiek.

Probeer zo veel mogelijk te weten te komen van je lezer en schrijf van daaruit verder. Schrijf je voor een C2-publiek, zet dan niet het B1-mes in je tekst. Schrijf je voor een zeer divers publiek, gebruik dan structuur om individuele lezers te helpen. Zet de belangrijkste mededeling vooraan in de alinea en verwijs gevorderde lezers snel door naar het volgende stukje informatie. Gebruik de rest van de alinea om de rest van je lezers verder te informeren.

En geef altijd een uitweg: een mailadres of telefoonnummer om extra informatie te vragen.

20170201

De ijsbergen van de communicatie

Er zijn mededelingen die maar een fractie tonen van de eigenlijke boodschap, zoals een ijsberg maar voor klein deel boven de waterspiegel uitsteekt:
`De intercity naar Maastricht van 10.53 vertrekt over twintig minuten.’
Wat de NS niet vertelt, is dat de trein daarmee ruim een kwartier vertraging heeft. Het lijkt net of ‘ie volgens de dienstregeling rijdt.

Liefdespartners verstoppen soms subtiel de eigenlijke boodschap:
-`Zou ik eigenlijk niet meer moeten sporten?’
-`Schat, ik hou van je zoals je bent’.

Een cynische lezing van deze dialoog zou zo kunnen luiden:
-`Wat ben ik vadsig. Ben ik nog wel aantrekkelijk voor je?’
-`Nee, maar ik ben je gewend en ik kan zelf toch ook niets beters meer krijgen.’

Reclamemakers en politici spelen graag met deze ijsbergen van de communicatie. Ze spelen in op behoeften en gevoelens van de consument, zonder deze expliciet te benoemen:
`U wilt toch ook het beste voor uw kind?’
`Henk en Ingrid betalen voor Ali en Fatima’*

Zoek de boodschap-onder-de-boodschap en waan je kapitein op een poolschip.

20170118 (* uit een PVV verkiezingsprogramma)