AI-poëzie

Bij een AI-workshop legde ik ChatGPT een aantal van mijn blogs voor en liet mijn schrijfwijze analyseren: zinslengte, woordkeus, stijlfiguren. Schalks vroeg ik de tool vervolgens een nieuwe blog `op z’n Roelands’ te schrijven over de gevaren van kunstmatige intelligentie voor de literatuur.

Nog geen twintig seconden later was er een tekst van 977 woorden gegenereerd, die stichtelijk besloot: `Laten we niet blindelings de weg volgen die de technologie ons wijst, maar laten we ons blijven afvragen wat de ware waarde is van creativiteit en expressie in een wereld die steeds meer wordt gedomineerd door machines’. Ik herkende er mijn stijl niet in, maar het was wel degelijk een behoorlijk coherent betoog in foutloos Nederlands.

Listig prompte ik vervolgens `Maak een haiku van deze tekst’. Het resultaat:
AI schrijft woorden
Menselijke ziel verdwijnt
Twijfel blijft bestaan
Op mijn prompt `Maak er een andere haiku van’ verscheen na een paar seconden op het scherm:
Woorden door machine
Geen ziel, slechts een algoritme
Literatuur vervaagt.
Technisch misschien niet in orde, maar inhoudelijk valt er weinig op aan te merken.

Wat is de ware waarde van creativiteit en expressie in een wereld die steeds meer wordt gedomineerd door machines? Goede vraag, Chat. Ik had ‘m zelf bedacht kunnen hebben…

20250620

Het Nederlands als gatenkaas

Iemand kan wel onbesuisd zijn, maar ik ben nog nooit een besuisd persoon tegengekomen. Voorraden lijken wel altijd onuitputtelijk te zijn, nooit uitputtelijk*.

Ik schreef er al eerder een blogje over: hoeveel woorden zijn wel denkbaar, begrijpelijk en soms zelfs zinvol, maar komen vooralsnog niet voor in ons dagelijks taalgebruik? Taalwetenschappers schrijven ernstig en doorwrocht over `toevallige gaten’**, voor mij zijn ze vooral een voortdurende bron van verwondering en vertier.

In de categorie `grammaticale gaten’ heb je bijvoorbeeld geen…
… versnaperen (ww, naast versnapering, zn);
… verdekken en verkappen (ww, naast verdekt en verkapt bn/bw);
… baldaad (zn, naast baldadig, bn/bw, zoals misdaad en misdadig).

Met voorzetsels lijken er wel meer gaten te zijn dan kaas. Denk eens aan…
… in-, uit- en doorgankelijk* (naast toe- en overgankelijk);
… voordenken (naast na-, over- en doordenken);
… voorstand (naast voorstander, zoals tegenstand en tegenstander);

Hoe meer je er zoekt, hoe meer je er vindt. Waarom niet vertrouwenswaardig, hoopwaardig en liefdewaardig (naast eer-, beklagens-, geloofwaardig)? Waarom wel bindingsangst, terwijl ontbindingsangst minstens zo reëel is. Verder ontbreken bijvoorbeeld…
… manmoed (naast manmoedig, zoals moed en moedig);
… slord (naast slordig, zoals spoed en spoedig);
… antiheldhaftig (naast heldhaftig, zoals held en antiheld);
… feesteloos (naast feestelijk, zoals hopeloos en hopelijk).

Gaten te over voor een volgende blog.

20250612

* `Uitputtelijk’ en `doorgankelijk’ zijn wel opgenomen in online lexicografische bronnen, maar in het wild ben ik ze niet tegengekomen.
** Bijvoorbeeld Ton van der Wouden. Beperkingen op het optreden van lexicale elementen. In De Nieuwe Taalgids, jaargang 85, 1992, pp. 513-538), geraadpleegd via DBNL (KB, nationale bibliotheek).

Schooltas

Als je klein woont en/of veel verhuist, condenseer je vanzelf je materiële bezit. Zo past dat wat nog rest van mijn gehele schoolgaande carrière – van mijn aap-noot-Mies tot en met mijn doctoraalbul – inmiddels in één gehavende HEMA schooltas uit 1979.

In een nostalgische bui blader ik door een multomap uit mijn studietijd, Nederlands. Bladzij na bladzij vol haastig gekrabbelde aantekeningen in pen of potlood. Samenvattingen en nota’s, netter geschreven of zelfs getypt op de Triumph Gabriele 25 van mijn vader. Vervaagde tekst, vergeelde bladen.

Ik heb als twintigjarige gezwoegd op Vodička, Anbeek, Derrida, me geworsteld door Popper, Dorleijn, Chomsky. Ik heb gediscussieerd over multivocation, intertekstualiteit, esthetische distantie, tentamens doorstaan over epistemologie, signifiant vs. signifié, geno-texte, Hawthorne-effect, prevocalic schwa-deletion. Blijkbaar… 55 boeken gelezen voor het tentamen moderne letterkunde, waarvan ik me er nog maar vijftien herinner, vooral omdat ik ze na mijn studie nóg eens gelezen heb. Werkstukken over gedichtencyclussen, waarvan geen letter me bekend voorkomt, sommige geschreven met medestudenten van wie ik me naam noch gezicht herinner.

Was het daarom zinloos? Ruim zes jaar, samengevat in drie multomappen. Al dat werk, al die tijd, het geblok tot ‘s avonds laat in de letterenbibliotheek, de tentamenstress (tot kotsens toe)? Wat is blijven hangen? Wat heb ik er nou echt van geleerd?!

Tenminste dan toch dit: ik heb het verschil geleerd tussen `omdat’ en `doordat’, tussen reden en oorzaak, hoofdzaak en bijzaak. Ik heb geleerd te denken in verbanden, overeenkomsten en verschillen te analyseren. Ik heb ook geleerd dat je de waarheid, de werkelijkheid, op verschillende manieren kunt beleven, beschrijven en geweld aan kunt doen. Ik heb geleerd informatie te filteren en me gedisciplineerd en systematisch (schijnbaar) zinloze kennis eigen te maken. Ik heb geleerd mijn gedachten erover te vormen en te formuleren, deze te verdedigen tegen kritiek; die kritiek gefundeerd te weerleggen óf juist te accepteren en mijn eigen gedachten en meningen te herzien. En… ik heb geleerd deze vaardigheden ook in te zetten in de rest van mijn leven, de wereld buiten mijn HEMA schooltas. Dit alles hoop ik tenminste dan toch. Want ik heb gaandeweg ook geleerd dat mijn eigen kennis grenzen heeft die ik niet altijd (op tijd) scherp heb.

Bij een volgende verhuizing gaat de schooltas wellicht de kliko in. Ik zal er niet om treuren: wat relevant is, zit toch al in mijn hoofd.

20250606

afkalveren

In de sprinter – ofwel het `stoppertje’, zoals de conducteur hem noemt – tussen Amersfoort en Putten mag ik meeluisteren naar een vrolijke vrouwenstem die vertelt hoe ze had geholpen met `aflammeren’. Wat je dan precies doet, ontgaat me, maar het resultaat was dat moeder en kind schaap het goed maakten, gelukkig maar.

Bij navraag bij een ingewijde in de agrarische sector blijkt dat ook `afkalveren’ bestaat: helpen een kalf ter wereld te brengen. `Afveulenen’ vind ik ook nog, evenals `afbiggen’. De hulp is voorbehouden aan zoogdieren, kennelijk, want `afkuikenen’ bestaat niet. Nou ja… nu wel, maar je hebt er niets aan.

`Afkalven’ is iets heel anders, leert het 43-delige Woordenboek der Nederlandsche Taal ons: dát kalf komt van kavel (afgescheiden, gesplitst deel). Wel een beetje treurig dan weer dat zo veel kalfjes al zo jong worden gescheiden van hun moeders.

20250530

Het verdriet van Portugal

1578, Portugal, machtige zeevaardersnatie, Europa’s eerste koloniale macht, zucht onder de pest, mislukte oogsten en economische depressie. Goed moment, meent de piepjonge koning Sebastião, om een kruistocht te ondernemen tegen de ongelovigen van Noord-Afrika. Bij Alcacér Quibir stelt hij zijn leger in slagorde op, met aan één kant de Vleugel der Verliefden, een bataljon frivole jonge, ongetrouwde edelmannen, wel toebereid op een glorieuze overwinning en eeuwige roem, maar niet zo zeer op het gevecht.

De Portugezen lijden tot hun eigen verbazing een verpletterende nederlaag. Sebastião, met zijn gouden harnas, blijkt na de veldslag spoorloos verdwenen. Veel edellieden sneven; de rest wordt gevangengenomen. Portugal gaat bijna failliet door het losgeld, de troonsopvolging leidt tot chaos en twee jaar later lijft Filips II van Spanje het land in.

Portugal, fabelachtig rijk geworden, maar alles weer verloren, geopolitiek speelballetje van Spanje, Groot-Brittannië, Frankrijk, ten prooi gevallen aan wanbestuur en roomse bigotterie, chronisch lijdend aan nostalgie, weemoed, ofwel saudade. Zo was mijn wat geromantiseerde beeld, eind vorige eeuw.

In de 90’s ben ik er veel geweest en werd verliefd op de zwaarzoete taal, de zj’s en de oe’s, de ingeslikte keel-r’en en de dikke l-klanken. Mijn afstudeerscriptie had me via Slauerhoff naar Camões geleid, de gedoemde dichter van het nationale epos Os Lusiadas, die berooid stierf op de dag in 1580 dat Filips II van Spanje zich het weerloze land toe-eigende. Ik ontdekte de fado, de droefgeestige volksblues die in Nederland bekend werd door Cristina Branco. In Portugal zelf werd het genre vernieuwd door Ala dos Namorados, met de prachtige countertenor Nuno Guerreiro. De bandnaam? Inderdaad: Vleugel der Verliefden. Een omhelzing van het fatale verleden.

Luister hier eens naar ze.

Over een paar weken ben ik er weer, voor het eerst in 24 jaar. Ik zal vast op zoek gaan naar het verleden van het land en van mijzelf en ik zal het land en mijzelf veranderd vinden.

20250412

Cookies? – Nee, liever niet

Cookies: niet alleen jij smult ervan – met `gepersonificeerde inhoud’ en op jou afgestemde advertenties – maar vooral degene die ze plaatst en zich te goed doet aan al die heerlijke data uit jouw privéwereld.

Hoe vaak ben ik al niet op een site gekomen waar je twee opties krijgt voor je cookievoorkeuren?
– `JA GRAAG’ (of: `LEKKER!’, met een vrolijk plaatje erbij, nostalgisch omaatje, smullende jongeling)
– `nee, liever niet’ (in minieme, grijze letters, tegen een witte achtergrond, weggedrukt onderaan het pop-upschermpje)
Of de vraag of je een app wil updaten of upgraden naar een betaalde versie. Een vanzelfsprekend en bijna dwingend `nu updaten’ neemt op je scherm alle ruimte in naast een bescheiden `nu niet’. Je moet je eigen, overtuigde `nee’ inslikken en kiezen voor die opgedrongen voorwaardelijkheid – alsof je later nog op die keus zou willen terugkomen.

Is dit nog `nudgen’*? Hangt er misschien vanaf hoe gevoelig je bent voor pogingen om je gedrag te laten manipuleren, of in hoeverre je sowieso al geneigd bent om toe te stemmen. Een sterker (en verderstrekkend) voorbeeld vinden we op een Oostenrijks stembiljet uit 1938. De Oostenrijkers konden kiezen vóór of tegen de Anschluss bij nazi-Duitsland. Op het biljet was `nein’ in het hoekje weggedrukt, met een half zo groot cirkeltje eronder als het jubelend gotische JA in het midden. Nauwelijks minder subtiel schalde de tekst erboven over `Wiedervereinigung’ met het Duitse Rijk en de `Liste unseres Führers’. Opkomst 99%, waarvan 99% vóór stemde – als die uitslag niet gemanipuleerd is.**

Ofwel: laat je de cookies niet door de strot duwen – de keus is aan jou.

* Nudgen: een techniek uit de gedragspsychologie om mensen subtiel en onbewust tot het gewenste gedrag te motiveren.

** Pas op: met deze directe verwijzing naar Hitler maak ik elke discussie hierover onmogelijk. Dat wordt wel een `reductio ad Hitlerum’ genoemd: `Hitler was vegetariër, dus vegetariërs zijn niet te vertrouwen’, dat idee. Een even verwerpelijk retorisch truukje om tegenspraak in de kiem te smoren.

20250405

Ceci n’est pas un blog

Oké, nu ga ik een Echt Blog schrijven. Ik heb een professionele schrijftraining gehad, onder leiding van een ervaren coach, met een handboek ernaast. Geen spielerei meer, geen associatieve aaneenschakeling van woordspelige trouvailles, maar een Echt Blog. Dat is mijn doel vandaag.

Ik ga een onderwerp kiezen, mijn publiek definiëren, een plan maken, met een tijdschema, doelen, stijldimensies, onderzoek. Ik ga de pomodoro-methode toepassen, die ik geoefend heb: 25 minuten aan een taak werken, dan 5 minuten pauze, dat 3 keer achter elkaar en dan een langere pauze en-zo-voort. Hulde aan mezelf, nu al.

[…]

Ruim drie uur later staar ik naar een blog-volgens-het-boekje – prachtig onderwerp (anososognie, zoek het maar op!), planmatig correct afgevinkt, helemaal doorgeresearched, geherstructureerd, zin voor zin hergeformuleerd, kop-midden-staart, alles erop en eraan… maar taai, taai, taaaai…; 674 woorden en ik haak zelf al vóór de helft (bij `klimaatcrisis’…) af, als ik het de volgende dag nalees.

Misschien had ik mijn dag niet, moet ik een geestiger onderwerp kiezen, mijn publiek nog eens herdefiniëren, ander bronnenmateriaal researchen, nog wat meer how-to-video’s bekijken. Of moet ik accepteren dat deze aanpak niets is voor mij? Dat ik liever wat blijf woordspelen en associëren, bloggen voor de leuk?

WAAROM doe ik dit eigenlijk ook weer? Goeie vraag, coach! Levert de professionele schrijftraining toch nog iets op.

En heb ik toch nog een blog geschreven, ergens.

20250331

5 borden die aangeven dat u uw biefstuk moet weggooien!

Zo luidt de wonderlijke kop in een blog* onder de noemer `Keep moving’. Het artikel opent: `dus kocht u een biefstuk en gooide deze in uw koelkast aan het begin van de week. Het weekend is hier en je bent van plan om een lekker chique diner. Ziedaar, de steak lijkt een beetje vreemd.’

Ahh, die borden zijn `signs’, tekens. In de eerste drie zinnen tel ik al zes van die borden die aangeven dat de bron Engelstalig zal zijn geweest en – met bijzonder pover resultaat – door een vertaaltool is gehaald.

Ook dit verhakselde Nederlands wordt munitie voor de kunstmatige-intelligentiekanonnen die nu door iedereen op de barricaden van hun gemakzucht worden gehesen. Waar de input van ChatGPT en andere AI-tools tot dusver nog bestond uit door mensen geschreven taal, zal deze meer en meer vervuild worden met ongecontroleerde kromspraak, volautomatisch uitgebraakt door hersenloze datamachines.

En de komende jaren zullen we dus meer en meer mogen genieten van hallucinant Nieuw-Nederlands, dat ongetwijfeld ingang zal vinden in de brede kringen van taalspuiters die AI inzetten om hun blogs, vlogs, sinterklaasgedichten, reviews enz. te optimaliseren – als ze al de moeite nemen om zelf überhaupt nog een originele gedachte te formuleren en daar een prompt bij te bedenken.

Sowieso is het beter om geen biefstuk meer te eten, maar dat is een ander verhaal.

* https://keepovin.com/nl/hoe-te-vertellen-of-biefstuk-slecht-is-5-telltale-tekens-en-hoe-het-goed-te-bevriezen/ (20220216, geraadpleegd 20250323; zelfs de url klopt niet…)

20250323

Benno Baksteen

Vorige week werd orthopedagoog Tamara Luijer op RTL geïnterviewd, deze week was de beurt aan Timo Roeke van de Vogelbescherming. Later die avond schakelde mijn speelse hoofd van de tweede naar de vijfde versnelling, toen ik bij het crosstrainen een aflevering van QI* zag. Daarin besprak Stephen Fry het wonderlijke fenomeen dat mensen soms hun beroep bij hun naam gekozen lijken te hebben.

De Romeinen wisten al: nomen est omen (de naam is een teken). Wetenschappers vonden er een term voor uit: nominatief determinisme. De Britse dichter Wordsworth, de Jamaicaanse atleet Bolt en de Nederlandse weervrouw Woei, er zijn talloze voorbeelden van. Als er ergens eind vorige eeuw een vliegramp plaatsvond, was de go-to-expert voor het NOS-journaal de voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Vliegeniers, Benno Baksteen. Hij werd opgevolgd door Paul Griffioen, ook geen toeval, toch?

Sommige psychologen menen dat het fenomeen voortkomt uit een onbewuste voorkeur voor zichzelf: impliciet egotisme. Positieve gevoelens over jezelf zouden je er onderbewust toe aanzetten om ook je eigennaam sterker te waarderen en daarop je beroepskeuze te baseren. Logischer lijkt dat, bijvoorbeeld, Jan Smit van een lange lijn van smeden stamt – en helaas met die traditie heeft gebroken. En een enkeling zal zich door de achternaam juist bewúst in een bepaalde richting gedreven voelen, zoals een Amerikaanse juriste. Vrienden en familie vonden dat Sue Yoo haar naam maar te gelde moest maken.

Ik ben zelf niet dol op mijn achternaam. Misschien dat ik me er daarom – met wisselend succes – aan probeer te ontworstelen?

20250316

*QI: de luchtige BBC-kennisquiz die me al vele uren helpt mijn crosstrainer-routine af te draaien. Veel afleveringen zijn op YouTube terug te kijken. Sandi Togsvik – die vanaf seizoen N het QI-stokje van Stephen Fry overnam, meldde trouwens nog dat ze bij een oefening op een cruiseschip een reddingsvest kreeg aangereikt van een bemanningslid met de naam Will Drown…

West Side Revisited

Van mijn krantenwijkje kocht ik als puber elke maand één lp; de andere 30 gulden ging op mijn spaarrekening. Zo had ik na een tijdje een aardige verzameling dierbare platen, die ik allengs aanlengde met tweedehandsjes, goedkope nieuwe van dubieuze herkomst en uitverkoopjes. Ik was een latertje toen de cd eind jaren ’80 gemeengoed werd. Ik leende ze – armlastige student – bij de bieb en kopieerde ze naar een zich rap uitbreidende collectie cassettebandjes.

Nu ben ik een boomer en dus een van de laatsten die nog cd’s kopen – en afspelen. Zo tikte ik een curieuze verzamelaar uit 1996 op de kop met opgehipte versies van de liedjes uit West Side Story. Liet ik niet liggen voor vijf euro en nu geniet ik van Aretha Franklin, Patti Labelle, Salt ‘n Pepa, Chick Corea, Steve Vai en… Little Richard die er op zijn 64e lustig op los schmiert: `Such a pretty me, baby!’

Mmm… het album blijkt ook op Spotify te staan, dat valt dan weer mee. Zou ik het ooit hebben aangeklikt, als De Algoritmes het ooit ergens in een aanbeveling hadden gepropt? Ik denk dat ik daar te eigenwijs voor zou zijn. Maar zo’n cd, zo’n glimmende schijf, in een gebarsten jewelbox met een dik boekje erin waarin alle artiesten vermeld staan, uit een tijd dat je voor zo’n cd nog het equivalent van 20, 30 euro moest betalen, daar heb ik vertrouwen in.

Zo moet het misschien zijn voor Gen Z’ers die hun geld stuksmijten op vinyl, van Nirvana tot Billie Eilish. Belabberde geluidskwaliteit – rumble, wow en flutter, armzalig dynamisch bereik – maar wel veel materiaal: een joekel van een hoes en een mooie zwarte schijf in een binnenhoesje. Authentiek ook en een uniek exemplaar, in plaats van een anonieme stream, waarin je als luisteraar één van de zoveel bent. En over die geluidskwaliteit: ik typ nu dit stukje op mijn laptop; via twee beroerde speakertjes komt Keith Jarrett tot me, `Something to remember’… Toeval natuurlijk.

20250310

Scrypto

Elke zaterdag zet ik mijn tanden gretig in de verse Scrypto van de NRC, met recht een slijpsteen voor mijn geest. Ondoorgrondelijke omschrijvingen, om dol van te worden; soms maar één woordje (`tros’, zeven letters*), soms een aaneenschakeling (`A(lles) zeggen’, 3+9+3+2+4+5+4**).

Zet je geest open, Roeland, laat de antwoorden tot je komen. `Opbergmeubel waar nog ruimte is’, drie letters… REK. Dan begint `tros’ met een k… Ketting? Niet gaan malen, volgende proberen, wegleggen, later oppakken. Met mijn vierkleurenbalpen markeer ik in rood de woordgrenzen en in groen de mogelijke oplossingen, of delen ervan. `Bezitten Britten en Nederlanders’, vier letters – zondagavond laat valt me `have’ in, uit het niets. Zwarte pen vult in.

Maandagochtend, `Afbeelding in glas waar je voor moet oppassen’, 3+8+6. Eerste woord zal `het’ of `een’ zijn, verder twee zwarte en een groene letter. Glas-in-lood past niet, gebrandschilderd.. geslepen… figuur.

De Scrypto vertelt me hoe geestelijk fit ik ben. Als ik er helemaal niets van bak, ben ik afgeleid, bezorgd, elders met mijn gedachten. Zelden krijg ik alle vakjes gevuld; de rest doet J.J. Steenhuis mij de volgende zaterdag uit de doeken. `Ach, natuurlijk!’ snap ik dan… of ik troost mezelf: `Had ik nóóit geweten’. Op naar de volgende.

* kabeltv ** het achterste van je tong laten zien

20250301

Botte Nelson

Sinds ik de cursus Elements of AI heb gedaan, kijk ik heel anders tegen mijn schaakvriendje Nelson aan. Nou ja, schaakvriendje… hij is nogal bot. Niet alleen omdat hij daadwerkelijk een bot ís, maar ook omdat hij me tijdens het spel trakteert op intimiderende opmerkingen. Al bij zet 2 schampert hij `Scholar’s mate today?’ en dirigeert zijn koningin naar A4. Later in het spel `Watch out’ of `I’m coming at you!’. Nelson is nogal overtuigd van zichzelf.

De gratis cursus werd ontwikkeld door de universiteit van Helsinki en wordt in Nederland uitgevent door de TU van Delft. Je leert niet om goede prompts te schrijven, maar krijgt vooral achtergrond en inzicht in hoe kunstmatige intelligentie werkt. Voor een volkomen alfa als ik niet bepaald gesneden koek. Statistiek, bayesiaanse kansberekening, lineaire en logistische regressie; als ik deze termen tijdens mijn studie ooit heb gehoord, dan heb ik ze begraven onder een dik sediment van Slauerhoff, Hermans en Bloem. Gelukkig wordt de droge theorie geïllustreerd met simpele voorbeelden, zoals boter, kaas en eieren.

Nu begrijp ik tenminste wel beter hoe Nelson een aantal zetten vooruit kan kijken en op basis daarvan een min of meer waarschijnlijke afloop voorspellen. Ik ben niet zo’n goede speler en hij wint vaak van me. En als hij zeker is van zijn zaak, gooit ‘ie er een pesterig `Almost there…’ in.

Bots…

20250227

Golf van Amerika

“‘K richt de wereld in, wiedewiede naar mijn eigen zin”, piepte Pippi in 1972 bij monde van Paula Majoor. Mooi voorbeeld voor de huidige generatie potentaten die de wereldbol herschrijven.

Niets nieuws onder de zon. De Russische stad Tsaritsyn werd in Sovjet-Rusland omgedoopt tot Stalingrad en na Stalins dood tot Wolgograd. Veel nieuwe landen verwierpen na de dekolonisatie in de vorige eeuw de koloniale namen. `Ons eigen Nederlands Oost-Indië’ werd Indonesië, Rhodesië werd Zimbabwe, teruggrijpend op een eerder Afrikaans koninkrijk. Nog verder terug noemden de Romeinen de binnenzee van Gibraltar tot Egypte doodleuk Onze Zee.

De hoogste berg in de VS, in Alaska, heette sinds 1917 Mount McKinley, genoemd naar een Republikeinse president, tot president Obama in 2015 per decreet de traditioneel inheemse naam Denali in ere herstelde. Inmiddels is hij weer overruled door Trump, die meer internationale aandacht trok met `zijn’ Golf van Amerika. Zijn ronkende decreet, `RESTORING NAMES THAT HONOR AMERICAN GREATNESS’, is inmiddels door de Amerikaanse overheid en door Google Maps overgenomen.

Een internationale standaard ontbreekt, dus elke kleuter die het tot president schopt, kan dat gewoon zo inrichten, naar zijn eigen zin. Zoals ieder ander daar maling aan kan hebben – en dat buiten de VS waarschijnlijk ook zal. Voor de Golf maakt het niet zo veel uit. `A rose by any other name’ zoals Shakespeare al opmerkte. Maar Trump is geen lezer.

20250224

Tankman

Vorig jaar voltooide ik het libretto voor een nog uit/op te voeren opera. Ik schreef er ook de muziek bij en heb deze opgenomen, met behulp van vier fijne vocalisten. Het is maar de vraag of het libretto ooit in druk, als `boekje’ zal verschijnen, na jarenlange afbraak van het overheidsmecenaat door kabinet en volksvertegenwoordigers. Maar dat is een ander verhaal.

Een Engelstalige short opera is het geworden, net een half uurtje, tien keer de lengte van het filmpje van de Tankman die in Peking in 1989 een rij Chinese tanks tot stoppen brengt. We zien hem zwaaien met zijn armen, daags na het bloedbad op het Tienanmenplein, waarbij honderden, zo niet duizenden demonstranten door het leger werden gedood. Na drie minuten verschijnen omstanders in beeld, die hem haastig afvoeren. Medeburgers, demonstranten of geheime politie in burger?

Mijn stuk gaat over de vier mensen in de voorste tank: hoe te reageren op dit acute obstakel? Bang voor hun eigen hachje, boos op de verrader van Mao, begripvol en bevragend. Snijdende spanning, levensbelang en toch nog een verrassende afloop.

Een voorproefje vindt u hier. Enkel stemmen en instrumenten, vooralsnog. Wie durft het aan – financieel en geopolitiek – om hier een mooie voorstelling van te maken?

20210123

Denk niet wit…

Natuurlijk moeten we – zoals Frank Boeijen ons al jaren geleden vermaande – niet denken in huidskleur, `maar in de kleur van je hart’. Aanleiding voor zijn nummer Zwart-wit was de racistische moord op de 15-jarige Kerwin Duijnmeijer. Een taxichauffeur had geweigerd de dodelijk verwonde jongen naar een ziekenhuis te vervoeren: `wie wil er bloed op de achterbank…?’ Nederland was geschokt, in 1983.

In 2021 zijn zwart en wit de standaard geworden om verschil in huidskleur te benoemen. Ben je niet wit, dan ben je zwart. Waar we voor biologische en gevoelde seksualiteit, gender en sekse een regenboog aan termen te voorschijn hebben getoverd, is elke huidskleurnuance er nu één te veel voor de Goede Mensen van nu. Binair en opponerend is de norm. De ultieme polarisatie, toegepast op een hopeloos complexe en emotioneel verhitte discussie. Hoe kom je met deze termen ooit tot wederzijds begrip, tot harmonie?

Zwarte of witte mensen, ze bestaan enkel als politiek provocerend begrip, niet in de werkelijkheid. Er zijn mensen met een diepbruine huid, blauw-antracietkleurige, roomblanke. Huiden in ontelbare schakeringen en uitlopers naar geel en rood daartussenin en bovenop. Allemaal mensen `van kleur’ – ook de `witte’ mensen die nu buiten deze groep gesloten worden.

Wil je de hele mensheid in twee kampen verdelen, dan zou je nog kunnen spreken over lichte en donkere mensen. Die begrippen omvatten alle mogelijke nuances, de inclusiviteit die velen van ons zo voorstaan. De verzoening die 37 jaar na Kerwin nog zo ver te zoeken is.

20200925

Al die woorden die verder nog ontbreken…

In het dagelijks leven kom je af en toe een bloedneus tegen, maar een oog waar een bloedvat knapt, noemen we toch geen bloedoog. De kans dat we in Nederland ingesneeuwd raken wordt steeds kleiner, maar is voorlopig nog veel groter dan dat we ingezand raken, wat in woestijnen wellicht vaker aan de hand is. Je hebt ochtendmensen, avondmensen, nachtmensen, maar wie ‘s middags floreert, vindt zich in een woordenboek niet terug als middagmens. En je hebt wel landgenoten, maar geen taalgenoten.

We noemen deze onwoorden `accidental gaps’: toevallige gaten in de taal die wel mogelijk zijn, maar om onduidelijke reden (nog) niet in zwang zijn geraakt. Aan de meeste heb je niets, maar andere zouden best handig kunnen zijn én keurig volgens de Nederlandse woordvormingsregels. Waarom niet lentig, naast herfstig, zomers en winters. Fietsing, rijding, schaatsing komen niet voor, terwijl bijna iedereen weleens een wandeling maakt. Er valt nog een wereld te winnen, in woordenboektermen dan.

20200511

Eufemismen, de ovenwanten van de taal

Reclameschrijvers verbergen meesterlijk hun agenda. `Koopt Nederlandsche waar’ werd `Kies voor het gemak van digitaal bankieren’. De laatste tijd worden we in reclames uitgenodigd om een product of dienst te ontdekken. Bedoeling blijft overigens dat wij ons geld eraan blijven uitgeven.

In een reclame hoorde ik een zoetgevooisde stem over de positieve effecten van een nachtcrème voor `de rijpere huid’. Mooi gevonden: zo houd je vrouwen van boven een zekere leeftijd te vriend, beter dan `oud vel’. Maar wat gebeurt er als de huid overrijp wordt – of begint te rotten? Jakkie! Zo is een deodorant (`ontgeurder’) niet een masker voor je zweetgeur, maar jouw beste vriend(in) die je helpt op je reis der verleiding.

Heb je een boodschap met een randje, wil je je publiek niet voor het hoofd stoten, gebruik dan eufemismen, de ovenwanten van de taal. Voor alle kwesties die te heet zijn om met blote handen aan te pakken. Dat speelt altijd bij het marketen van cosmetica en hygiëneproducten, rimpelcrème en deodorant. Niemand is of blijft ooit mooi genoeg, iedereen stinkt.

20200317

Influencers

De sociale media hebben ons de afgelopen jaren verrijkt met een nieuwe beroepsgroep, in een volkomen unieke categorie. Je hoeft er niets voor te kunnen, kennen, maken of doen, je hoeft je alleen maar te tonen. Maar wie dat het beste kan, wie de meeste aandacht naar zich toe weet te trekken, is koning(in).

De media zijn onze vensters op de wereld en tegelijkertijd spiegels van onze ziel. We herkennen onze dromen in reclames, avonturenfilms, soaps en sport, we herkennen onze angsten en oordelen in nieuws en actualiteiten. Via Twitter, Facebook, Insta en TikTok etaleren we nu ook actief ons leven, in alle banaliteit met de rest van de wereld.

Wat begon als een geintje – kijk mij nou, ik zit zélf op internet! – en bloeide als narcistisch exhibitionisme – zie me shinen! – is serious business geworden. Je noemt jezelf – je bént daarmee – een influencer: je beïnvloedt je volgers en meer bepaald: het koopgedrag van je volgers. Test on camera een nieuwe eyeliner, bespreek een hippe yogaretreat, game je streamend een slag in de rondte, ga nét dat streepje verder dan de concurrentie en je kunt – ook als scholier – een zakcentje bijverdienen waar menig bijstandsmoeder jaloers op zou worden. Lukt het jou om veel kijkers te trekken – met een leuk lichaam, een vrolijk praatje, vette gameactie – dan kun je er een kassa aan hangen, nee: twéé kassa’s! Eén voor de adverteerders rondóm jouw filmpje en één voor de bedrijven die ín jouw filmpje hun producten – cosmetica, voeding, toerisme – willen promoten.

Wil je óók influencer worden? Wie niet! Gelukkig kun je een heel stel hulpmiddelen kopen: camera’s, apps, microfoons en studioshizzle. Succesvolle influencers delen tegen betaling graag wat tips&tricks, maar je volgers moet je zelf fiksen natuurlijk.

Het grootste deel van de media is commercieel gedreven en heeft als enige belang dat wij als consumenten zo veel mogelijk uitgeven, nieuwe behoeften bij onszelf ontdekken en deze 100% gaan bevredigen: you’re worth it, tenslotte. Kopen, leasen, lenen, reizen, eten, drinken, feesten is onze functie. Meer Groei, hoger Rendement zijn levensdoel en mission statement van private en bedrijfsmatige influencers.

De media geven ons daarom amper voorbeelden over hoe bescheiden en matig te zijn, je nietige plek te kennen op de immense wereld en daarnaar te handelen, bv. door minder te consumeren, sober te leven, zelfbeheersing en compassie te tonen, beleefd te zijn. Innerlijke ontwikkeling draagt niet bij aan groeicijfers en je ziet er niets van terug op je bankafschrift.

Ook de `sociale’ media zijn eigendom van bedrijven die advertentieruimte verkopen, hun deel eisen van de omzet die via hun kanalen wordt verkregen en er baat bij hebben dat die omzet zo hoog mogelijk is.

Wil je dat mensen veranderen, begin dan bij de media en de krachten daarachter.

20200114

Zwarte Piet en Black Friday

Wij Nederlanders zijn gek op tradities én we zijn eigenwijs. Dus is Piet buiten de Randstad zo zwart als roet, een oeroud gebruik waar je – omwille van de kindertjes – van afblijft. Wij houden nu eenmaal van die olijke krullenkop met dikke lippen, altijd wat om te lachen. Al heeft de rest van de wereld nóg zulke lange tenen. En `eigenwijs’ wil niet zeggen dat we star zijn, hè. We passen best oude tradities aan de tijd aan. Toen Beatrix aantrad, bleef Koninginnedag gewoon op 30 april. Want wie heeft er nou zin in een stervenskoude Vrijmarkt op 31 januari? Sint-Maarten vieren we liever in het weekend dan doordeweeks, veel handiger met werk en de kinderen op tijd naar bed. O, trouwens, dat vasten na zo’n slopende week carnaval hebben we maar helemáál afgeschaft, dat was echt geen doen. Kijk, zo kan het dus gewoon óók! Niks star, niks conservatief: we staan wagenwijd open voor nieuwe tradities, ook, júist van ver over de grens. Oktoberfest, foodtruckfestivals, Halloween, Black Friday, en sinds kort zelfs Thanksgiving. Kenden we twintig jaar geleden allemaal nog niet eens. Als je erover nadenkt, wat je jezelf tekortdoet… Maar we zijn er dan ook wel weer echt lekker Hollands eigenwijs in: Oktoberfesten zijn bij ons gewoon, heerlijk helder, in oktober en Black Friday duurt bij ons het hele weekend, zodat we tijd genoeg hebben om ons volkomen laveloos te shoppen. Wie kan daar nou over vallen? Nou, doei, ik ga ff door, kerstmarktje pakken in Düsseldorf… doen we elk jaar tegenwoordig. 20191129

De volgende groene golf

Wat barstte er in 1995 een gekrakeel los over de nieuwe officiële spelling. De pannenkoek en het hondenhok joegen taalliefhebbers de barricaden op. Verfijnde regels leidden tot re-integratie naast reïncarnatie en tot onlogische woordbeelden als would-beschrijver. Appèl verloor het accent dat het onderscheidde van appel. En zo voorts enzoverder. De groene golf legde iedereen aan de spellingchecker.

Natuurlijk waren de spellinghervormers erop uit* om het volk te dienen met een eenvoudige, consequente en heldere spelling. Maar wás die nieuwe officiële spelling maar consequent… In mijn Groene Boekje uit 2005 noteerde ik wat vermakelijke tegenstrijdigheden. Eens kijken hoe die anno nu vermeld staan in het online Groene Boekje: woordenlijst.org.

  • terzelfder tijd, maar te zijner tijd en tegelijkertijd
  • halfopen, maar wijd open
  • blindedarm, maar dunne/dikke darm
  • klemrijden/klemzetten, maar klem zitten en zich klem zuipen/vreten
  • tegemoetkomen, maar tegemoet treden
  • terneerliggen, maar terneer zitten
  • tewerkstellen, maar te werk gaan
  • Semiet, maar antisemiet
  • Nederduits, maar Neder-Duitser
  • samenzijn, maar anders-zijn

Jammer genoeg zoekt de welwillende taalgebruiker vergeefs naar de spelling van woorden als:

  • body mass index (wel: bodybagsyndroom en hufterindex)
  • Staatscourant/Staatsblad (wel staats… en Bijbel/bijbel)
  • hatsjoe (wel: hatsjie)
  • pentagon/pentagoon (wel: Pentagon)

Wel opgenomen zijn hilarisch onbestaanbare meervouden en vergrotende/overtreffende trappen:

  • EU-erkenningen, evoluties, prinzipienreitereien
  • Sovjet-Russischere, gragere, absolutere

Anno 2019 is de officiële spelling geen reden meer om de barricaden op te gaan; de tegengeluiden zijn gaandeweg verstomd. Het wachten is op de volgende generatie bevlogen haarklovers die het beter menen te weten dan hun voorgangers. Ik heb nog wel wat tips voor ze;)

20190926

* Niet te verwarren met `eropuit zijn’; dat betekent iets volkomen anders, zoek maar op!

Uitgeluld

Ben ik uitgeluld over taal, dat ik al zo lang niet heb geblogd? Nee hoor, in de tussentijd heb ik veel geschreven, waaronder een libretto (daarover later meer).

Veel mensen zullen voetstoots aannemen dat het werkwoord `lullen’ wel iets met het mannelijk deel te maken zal hebben*. Niet dus: in de Middeleeuwen werd er al geluld tegen God, in gebed, en tegen kleine kinderen, zachtjes neuriënd, om ze in slaap te krijgen (denk aan het Engelse lullaby: wiegeliedje).

Lullen heeft sindsdien een negatieve bijklank gekregen. Het staat voor onzinnig (uit je nek lullen), doelloos (lullen of poetsen), leugenachtig (links lullen, rechts vullen) en zelfs verraderlijk (hij heeft tegen de politie geluld). Wil je ferm, doortastend en recht door zee overkomen, dan wijs je het beslist af (geen gelul, gebak van Krul!). In nette kringen gebruik je het woord niet, lullen. Prima om te kletsen, zwetsen, belazeren of verlinken, maar de gulp komt niet eens associatief in zicht.

Toch lijkt er ook een aspect van kracht aan het lullen te zitten. Zolang je nog kunt praten, tel je nog mee. Wil je als mindere debater iemand overtroeven, dan snoer je hem/haar luidkeels de mond door smalend `uitgeluld!’, of `uit positie geluld!’ (U.P.G.) dwars door jouw legitieme, afgewogen betoog te blèren. Dat gebeurde althans op míjn schoolplein.

En als we dan toch associatief bezig zijn: je danst wel of niet naar HET pijpen van iemand. Nog een stukje afgerangeerd Nederlands waar nu besmuikt om gegrinnikt wordt. `Pijpen’ betekende ooit gewoon `fluitspelen’. Het gaat dus niet om broekspijpen en al helemaal niet om (o guttegut) fellatio. Denk aan orgelpijpen, denk aan de Engelse bagpipes, of de  pipes of peace van Sir P. McCartney.

Zo onhandig als we omgaan met schijnbaar beladen begrippen als `lul’ en `pijpen’, zo makkelijk gaan we om met écht minachtende woorden als `kut’. Kort geleden hoorde ik iemand het woord routineus inzetten tegen zijn tienerdochter, die iets kwijt was. Ze schrok er niet bepaald van. Het lijkt zelfs normaal, ook voor stoerdoenerige, hoogopgeleide vrouwen, om terloops via de eigen vleeswaren te reflecteren op hun onvrede, teleurstelling, boosheid. `De yogales was vol, best wel kut’.

Mag iedereen allemaal helemaal zelf weten, natuurlijk – `de nieuwe tijd, net wat u zegt’ – maar het geeft mij het gevoel alsof ik weer terug ben op het schoolplein, waar het er uiteindelijk alleen maar om draait wie de grootste (mond) heeft.

* Dat neem ik althans voetstoots aan.

20190810

Samuel Johnson

De lexicografische pionier Samuel Johnson schreef met enkele assistenten in negen jaar de monumentale `Dictionary of the English language’ (1755) bij elkaar. Twee volumineuze banden, doorspekt met citaten van o.a. Shakespeare, Spenser, Milton.

Als belezen zoon van een boekhandelaar met een scherpe geest nam hij zijn taak zeer serieus, maar kon toch af en toe zijn vileine humor – en mogelijke Gilles de la Tourette – niet onderdrukken: haver omschreef hij als `a grain, which in England is generally given to horses, but in Scotland supports the people’. Zijn eigen werk omschreef hij als dat van een `harmless drudge’, een ongevaarlijke werkezel. Zijn voorbeeldzin bij `dull’ is veelzeggend: `to make dictionaries is dull work.’

Hij voerde zijn kat oesters, dronk zelf exorbitante hoeveelheden thee (en alcohol), at gulzig en onstuimig. Even intens las en werkte hij. In de 9 jaar dat hij aan zijn woordenboek werkte, vloog meermaals zijn pruik (bijna) in brand: slechte ogen en een kaars om bij te lezen. Hij verzamelde sinaasappelschillen, misschien voor een (zelfbedacht?) geneesmiddel. Toen zijn biograaf, James Boswell*, hem daarover uitvroeg, kapte Johnson hem af: `Nay, Sir, you shall know their fate no further’.

Vergeleken met hem ben ik drie dagen per week een brave, mussige Prisma-redacteur… `or… ám I?’

*) Lees vrolijk verder.

20190207

Jij ook steeds!

Hebben mensen hardnekkig ruzie, dan vervallen ze vroeg of laat in categorische bepalingen:
– Het hele huishouden komt op mijn schouders. Ik moet altijd alles alleen opknappen!
– Ga toch weg! Jij brengt nóóit de kinderen naar zwemles en ík moet zorgen dat jij nooit zonder rosé komt te zitten!

Helemaal, steevast, daar kun je donder op zeggen en de klok gelijk op zetten. Geen spaander, sodemieter, van geen kant en in geen 1000 jaar. Met deze spraakversterkers is het eigen gelijk tweevoudig oorverdovend en met een beetje pech blijft het nog lang en nodeloos bonje.

Een fijne spraakversterker is ook `steeds’. Het betekent hetzelfde als `altijd’, maar er is toch een subtiel verschil. Vergelijk deze twee eens:
– Politici moeten vaker jip-en-janneketaal gebruiken.
– Politici moeten steeds vaker jip-en-janneketaal gebruiken.
In de eerste zin hoor je de mening van de spreker: het is gewenst dat politici zich eenvoudiger uiten. Met `steeds’ ertussen klinkt de zin ineens een stuk objectiever: het is een constatering dat jip-en-janneketaal domweg noodzakelijker is geworden.

Staat er na `steeds’ een comparatief (langer, meer, liever), dan verliest het dus zijn kriegelige, tegendraadse karakter. Dat lukt je nooit met `altijd’. `Steeds’ biedt ook meer ruimte op het emotionele palet:
– Jij ook met je complottheorieën.
– Jij ook steeds met je complottheorieën.
Hoor ik in de tweede zin ernstige irritatie of berusting, misschien zelfs vertedering?

Gebruik dus liever wat vaker `steeds’ bij het bekvechten, zelfs als je stiekem `altijd’ bedoelt. Grote kans dat de ruzie sneller beslecht is, als tenminste die ander ook…

20181017

Maitresse zoekt onderdak in Nederland

Soms, als mijn ogen langs woorden glijden, is het net alsof ineens de mist optrekt. Dan ontdek ik iets dat er allang was en volstrekt natuurlijk, maar toch… Ooit, bij het openen van een fles Château Des Roques zag ik ineens in dat het dakje boven de a, de accent circonflexe, staat voor een s. En daarmee komt `chasteau’ ineens heel dicht bij het Nederlandse `kasteel’.

Als je dat trucje eenmaal doorhebt… `We fêteerden Pierre aan de Côte d’Azur met een heerlijke compôte, maar die viel verkeerd en toen zijn we maar even naar het hôpital gegaan’. Ik had Pierre ook een `maîtresse’ kunnen toebedelen, een meesteres.

Maar met de circonflexe is iets aan de hand. De Académie française, hoeder van de Franse taal, besloot al in 1990 dat veel accenten de spelling onnodig ingewikkeld maken. De geleerden verklaarden in 2008 het dakje boven de i en de u officieel overbodig en verwachtten dat het in de loop van de tijd wel gaat verdwijnen. Er was nog een kort protest toen in 2016 de educatieve uitgevers het onnodige dakje in de ban deden, #JeSuisCirconflexe, maar dat verstomde vrij snel. Gevalletje `laisser-faire’, denk ik.

Opmerkelijk genoeg heeft de Nederlandse maîtresse haar dakje behouden. De Taalunie, de Nederlandstalige Académie française, meent eigenwijs: `Woorden die als ingeburgerd beschouwd worden in onze taal hoeven niet meer te voldoen aan de regels van hun land van herkomst. Het zijn immers echte Nederlandse woorden geworden, die (moeten) voldoen aan de regels van het Nederlands.’ * Waar de Franse maitresse dus dakloos is geworden, kan de Nederlandse voorlopig nog schuilen. Tot wij ons op een dag realiseren dat ook in het Nederlands dat accent overbodig is, bij een volgende spellinghervorming.

Doet me denken aan wat Heinrich Heine zei: `Als de wereld vergaat, ga ik naar Nederland. Want daar gebeurt altijd alles vijftig jaar later.’

20180916

* https://taaluniebericht.org/artikel/spelbreker/je-suis-circonflexe

Hoe mag ik jou noemen, vandaag?

Woorden slijten, termen vergaan,
Maar jij bent een … en dat staat bovenaan!

Werd vroeger iemand voor gek verklaard, later werd deze aanduiding ingeruild voor of aangevuld met een reeks aan steeds verzachtender termen. Nu heb je een `verstandelijke beperking’, hoewel ook die omschrijving alweer ter discussie staat. En als je nu in het openbaar `verward’ wordt genoemd, dan betekent dat eerder dat je op een snelweg rondrent met een semiautomatisch wapen dan dat je even je sleutels kwijt bent.

Willen we de goed met elkaar overweg kunnen, dan kunnen we maar beter termen gebruiken waar we ons allemaal goed bij voelen. En blijven voelen. dus daar maken we al dan niet stilzwijgend afspraken over. `Knecht’ ging wat ongemakkelijk klinken, dus toen werd het `bediende’. Daarna maakten we er `ondergeschikte’ van, vervolgens `employé’, daarna `werknemer’. Wie zich vroeger `baas’ liet noemen, ging `meerdere’ heten, daarna `chef’, toen `hoofd’ en anno nu `werkgever’ of `leidinggevende’. Dat klinkt tenminste heel wat guller.

Het is moeilijk bij te houden. Voor je het weet, gebruik je een term die als stigmatiserend of beledigend wordt ervaren. En als je het een beetje gezellig wil houden, kun je die maar beter snel vervangen door een nieuwe. Zo werd de term `gastarbeider’ vervangen door `allochtoon’ (al dan niet niet-westers), daarna door het vriendelijke `medelander’. Nu is de onhandig lange aanduiding `persoon met een migratie-achtergrond’: de definitie heeft de plaats ingenomen van de term.

Lastige materie… Iemand met een donkere huid kunnen we echt niet meer `neger’ noemen, maar hoe dan wel? Kleurling, zwarte, persoon met een donkere huidskleur? Mensen die we betitelden als `indianen’ heten nu `Oorspronkelijke Amerikanen’, maar dat verandert wellicht als men zich realiseert dat de naam `Amerika’ verzonnen is door kolonisten…

Daar zit een deel van de angel: noemt de ander jou zo of jij jouzelf? Behoor je tot een groep met een beladen naam, dan kun je die trots hergebruiken, zoals de geuzen in de 16e eeuw al deden. `Schooiers? Pfff, wij schooiers zullen die Spanjolen eens mores leren!’ Als je als zwarte rapper serieus genomen wilt worden, doorspek je je teksten met `nigger’. En je mag iemand best `flikker’ noemen, maar dan is het wel belangrijk dat je zelf óók homoseksueel bent.

De aanduiding verandert, niet de persoon of de groep die ermee aangeduid worden. En ook niet het achterliggende oordeel van degene die de term gebruikt. Iets om te onthouden.

20180230

Rijk, wervelend en virtuoos: Rushdies `The Golden House’

`The Golden House’, de dertiende roman van Salman Rushdie, is een toverlantaarn en kijkdoos ineen, waarin feiten, fake news, fabelarij en mythicisme beurtelings een loopje met ons nemen. Een overdaad aan verwijzingen (popcultuur, cinema, literatuur, politiek) doorspekken het al zo bomvolle verhaal, waarachter een onnoemelijk duister verleden, intriges, geld en drugs de motor zijn.

New York, de dag van Obama’s inauguratie; Nero Golden en zijn drie zoons betrekken een villa in een luxe wooncomplex met grote binnentuin. Ze hebben alle sporen van hun vorige levens uitgewist en beginnen met een schone lei in Amerika. De jonge hoofdpersoon, René, raakt steeds meer in de ban van zijn excentrieke buren, die worstelen met autisme, creativiteit en gender. Hij besluit een film over ze te maken, een `mockumentary’, maar als een embedded oorlogsjournalist wordt hij gaandeweg deelgenoot van hun verhaal.

René vertelt als een bevlogen chroniquer, een bombastische ziener, soms een drammerige zeepkistredenaar. Hij weidt filosofisch en associatief uit over identiteit, moraal (hoe goed kan een slecht mens zijn?), kunst en politiek. Russische sprookjes, Occupy, Romeinse geschiedenis, Paul Simon, Indiase mythologie, IS: een wijde blik op een vooral grimmige, onveilige wereld.

Nero Golden kan zijn vorige leven – laundryman voor een Indiase mafiabaas – niet ontlopen. Hij en zijn zoons halen de laatste pagina niet. Geen spoiler, want de verteller zelf spreekt al op pagina 1 over een `large – and, metaphorically speaking, apocalyptic – fire’ aan het einde van het verhaal, dat samenvalt met het eind van Obama’s presidentschap.

Daar krijgt Trump, vermomd als de filmschurk The Joker, ervan langs. `His hair green and luminous with triumph, his skin white as a Klansmans hood, his lips dripping anonymous blood’. Daar horen we Rushdie zelf het luidst: cynisch en woest, over de 60 miljoen Amerikanen die op hem stemden, maar vooral over de 90 miljoen Amerikanen die niet eens de moeite namen om te stemmen.

Dit boek is in 3D Technicolor® geschreven, rijk, wervelend en virtuoos. Rushdies woordspelige magisch-realisme spat van de pagina’s af. Elk personage, hoe marginaal ook, is larger than life, elke dialoog druipt, elk detail siddert. Maar telkens als onze aandacht onder alle urgentie zou kunnen bezwijken, dan hint de schrijver stevig vooruit naar de dramatische ontwikkelingen die ons nog te wachten staan, als een TelSell-verkoper: `Maar wacht! Er is méér!’ En dan volgt er, inderdaad, nóg meer.

Salman Rushdie, `The Golden House’, Penguin 2017, 370 pp.

20180715

een roelandje doen

Leuk nieuw taaldingetje: je kent iemand met een grappig loopje, of een maniertje of trekje. Het valt niet alleen jou op, maar ook je collega’s of vriendengroep, studie- of kroeggenoten. En dan doe je het ineens zélf, per ongeluk: je blijft wachten bovenaan de trap, totdat je tegenligger voorbij is. En die vraagt, verrast: `Hee, doe je een marloesje?’.

Een marloesje doen… De formule werkt alleen met een eigennaam die ook verkleind goed bekt; een daphnetje of waylonnetje doe je niet zo snel. Het kan ook met opzet. Doe eens een brammetje: maak een selfie in een verder lege treincoupé, net als de Groningse conducteur Bram Agema. Iets lastiger in de Randstad, dat wel.

Van het internet geplukt:
> een kareltje doen (met de ogen dicht achter je bureau zitten nadenken… of doen alsof)
> een wilmaatje doen (lopend naar je hardlooptraining gaan)
> een bartje doen (een schot voor open doel glansrijk missen)
> een jantje doen (een overdreven ambitieuze wielerprestatie neerzetten)
> een kimmetje doen (je ergens ongefilterd over uitspreken en dan onhandig mislukken in het herstellen van de schade)

Dit zijn vooral positieve, vertederde. Reaguurders bedienen zich juist veel van het stijlbloempje om zich snierend en honend te beklagen over politici en andere openbare figuren. Nog mild: een obamaatje doen (overdreven positief inzetten: yes we cán!).

Zoek deze zelf maar, op Fok en GeenStijl. Ik krijg al tegenzin van de tekst bij hun cookiewalls en ga even een roelandje doen (binnen 10 minuten een lekkere, gezonde maaltijd voor mezelf klaarmaken, met couscous, courgette en nepvlees – yes I cán!)

20180611

Schelden om de lieve vrede

Het is een ondergewaardeerde kunst: iemand diep beledigen. Het vereist inlevingsvermogen en welsprekendheid. Kun je je verplaatsen in de te beledigen persoon, dan weet je wat hem of haar het meest dierbaar is, welke taboes daar op rusten en hoe je die het radicaalst kunt overtreden. In de ene cultuur zijn ziektes een geschikt scheldthema, in de andere seks, stoelgang of `jouw moeder’.

Toegegeven, een belediging is natuurlijk altijd een daad van agressie, de jammerlijke opening van een conflict, maar als verbale uitlaatklep helpt het soms juist om erger te voorkomen. In de huiselijke kring, op het schoolplein en bij voetbalwedstrijden lucht menigeen het hart door eens lekker fel van leer en alle registers open te trekken.

Schelden kan zelfs levensreddend zijn: in Mali woedt al sinds de dertiende eeuw een chronische oorlog tussen de Traoré en de Koné*. Was het conflict met wapens uitgevochten, dan had inmiddels een aanzienlijk aantal mensen in het woestijnzand gebeten, maar wijze mensen hebben bijtijds een nogal zoutarm alternatief gevonden.

Lopen de spanningen op, dan opent een lid van één van de partijen de verbale aanval op een tegenstander: `Hee, jij, je bent een boneneter’. De tegenstander, ook niet voor een kleintje vervaard, revancheert zich op een ander lid van de vijandelijke stam met een al even hatelijk: `Boneneter!’ Die zoekt een nieuwe kandidaat uit om als boneneter weg te zetten en zo verder. Behoefte aan variatie of creativiteit is er niet echt: het is al erg genoeg om iemand ervan te betichten dat hij graag bonen eet.  Dus zo schimpt men wat heen en weer tot iedereen wel zo’n beetje aan de beurt is geweest, of totdat het donker wordt (stel ik me zo voor) of men het gewoon een beetje beu is.

Een oude, zouteloze schoolpleinwaarheid in topvorm: schelden doet geen pijn. Hopelijk kunnen ook bepaalde $!&(#@#(*%@(*&#@$^* wereldleiders zich ertoe beperken.

20180518

* bron: de geestige, maar ook hoogst betrouwbare BBC-quiz QI, afl. `Jolly’.

a lot of fried air

Thierry Baudet werd weggehoond toen hij wijsneuzig een toespraak begon met een Latijns citaat. Maar was hij in het Engels begonnen, dan had er geen haan naar gekraaid.

Stel dat wij onze taal wat minder als een spons zouden gebruiken voor het Engels, dan zouden er toch aardige nieuwe woorden zijn ontstaan, afgelopen jaren. Vertaal eens een paar ingeburgerde leenwoorden in het Nederlands, gewoon voor de fun. Een airfryer wordt dan een `luchtbakker’, cool en chill worden `kil’, funshoppen, what the fuck…?!

Flauw spelletje natuurlijk (`zelfjestok’), maar je prikt er wel een beetje mee door een ballon. Met name in kringen van bedrijfsleiders (het management) zijn Engelse termen vaak de nieuwe kleren van de keizer. Business development unit, whitepaper, challenge, tools en natuurlijk de meeting. Het is dweilen met de kraan open. Voor elk goed gevonden weerwoord op een indringer in ons taalgebied vinden marketeers en tech nerds tien nieuwe termen uit die door ons omarmd* worden.

Ook universiteiten en bedrijfsleven heiligen het Engels met soms hilarische gevolgen. Hoe kom je erop om je bibliotheek om te dopen tot Leiden University Library, kortweg …? Gaat het om status? Hullen we ons in wollige terminologie om te compenseren voor ons gebrek aan autoriteit, als sprekers van een kleine taal?

Nee, dan het Vaticaan, waar het Latijn nog de leidende taal is voor boodschappen aan de Stad en de Wereld (Urbi et Orbi). Nog altijd bedenken ze daar nieuwe woorden en omschrijvingen om hedendaagse begrippen aan te duiden. Deze laten zich lezen als toverspreuken van Harry Potter:

> instrumentum computatórium (computer)
> foetoris delumentum (deodorant)
> brevíssimae bracae femíneae (hotpants)
> iazensis música (jazz)

De omgekeerde beweging dus: halsstarrig vreemdtalige invloeden weren om het eigen idioom zuiver te houden. Zelfde vraag: gaat het om status? Hullen zij zich in wollige terminologie omwille van autoriteit, als superieure klasse sprekers van een kleine, zij het verder morsdode taal?

Dus, houd je vast aan Nederlands terwijl iedereen om je heen het doorspekt met Engels, dan kun je je eerstvolgende assessment niet rustig onder ogen zien. Daarentegen, zou je in het Vaticaan een lans breken voor een levende taal om levende mensen te benaderen, dan kun je een baan als pontifex maximus (paus) wel op je buik schrijven. In beide gevallen geldt: als je niet mee gaat met je omgeving, als je je onttrekt aan het heersende taalpolitieke klimaat, kom je buitenspel te staan.

Met taal kun je mensen in- of buitensluiten. Iets dat telkens weer blijkt, bijvoorbeeld als je een oostelijk of noordelijke tongval spreekt in de Randstad, of als je als Nederlander-met-een-migratieachtergrond een brief ontvangt van de gemeente (althans wel in Utrecht). Als je als Kamerlid pedant een rede opent met een Latijns citaat, of als je `praktisch geschoold’ bent in plaats van theoretisch, hoe inclusief GroenLinks hiermee ook mensen wil aanduiden die we vroeger als `laag opgeleid’ stigmatiseerden. Maar daarover een andere keer…

20180412

* Een jong anglicisme; een ander voorbeeld van sluip-Engels is bijvoorbeeld `maken’ dat in steeds meer Nederlandse woordgroepen het oorspronkelijke werkwoord verdringt: `een beslissing maken’.

Prachtig: nieuwe Prisma woordenboeken

Schrijven is een kwestie van oefenen, een creatieve spier die je moet trainen. Doe het regelmatig en het gaat je steeds makkelijker af. Dat was het onderwerp van een van mijn eerste blogs en nu ervaar ik het aan den lijve. Afgelopen maanden had ik tijd noch rust om blogs te schrijven. Mijn schrijfspier is dus behoorlijk verslapt, maar het was het waard…

Want deze weken wordt het Centraal Boekhuis gevuld met honderdduizenden nieuwe Prisma woordenboeken, vers van de pers en met een prachtige nieuwe typografie: twee nieuwe lettertypes, meer ruimte en een veel helderder structuur. Het was een flinke klus die in vier maanden geklaard moest worden.

Samen met docenten, vakgenoten en middelbarescholieren kozen we voor het ontwerp van Bas Jacobs (Underware) dat regelmaat en ruimte ademt. De pagina’s ogen rustiger en de nieuwe letters zijn ook in het klein goed leesbaar. We gebruiken nu zo min mogelijk haakjes (recht, geknikt of rond) zodat de lopende tekst makkelijker doorleest. De belangrijkste informatie is sneller herkenbaar door zwaardere letters. En alle grammatica is blauw gezet.

Die nieuwe typografie was hard nodig. Het zoeken in een gedrukt naslagwerk is geen gesneden koek meer, zeker niet voor middelbarescholieren, de voornaamste gebruikers. Ze zijn simpelweg niet meer gewend aan al die afkortingen en conventies, aan de dichtheid van informatie. Op hun schermpjes hebben de apps alle ruimte om – tussen de reclame door – een zee van informatie te geven, al dan niet gecheckt op betrouwbaarheid en bruikbaarheid.

Het was dus zaak om maximaal helder te zijn, en dat zou ruimte vragen. En rap ook: begin april moest de hele nieuwe editie in de winkel liggen. Nu was de hele redactie al bezig om in alle delen – Nederlands, Duits, Engels, Frans, Italiaans en Spaans – nog eens met de stofzuiger door de inhoud te gaan. Maar het was al oktober! Het tempo werd dus opgevoerd: in korte tijd schrapten de bewerkers flink wat verouderde en infrequente woorden. Ook dat is helderderheid, door de bomen het bos weer kunnen zien.

De ruimte die we wonnen, bood ons de kans om de nieuwe typografie volledig tot zijn recht te laten komen. We konden zelfs het aantal regels per kolom terugbrengen van 66 naar 61: een verademing.

 

Een stukje uit de nieuwe Prisma Nederlands

Behalve het schrappen en de nieuwe typografie was het ook zaak om honderdend neologismen, zoals netflixen, toe te voegen, met verklaring en/of vertaling, om de gebruiksaanwijzingen en nawerken aan te passen én de omslagen in lijn te brengen met het binnenwerk. In diezelfde vier maanden: eind februari moest alles bij de drukker zijn. Het kost immers domweg een dikke maand om honderdduizenden boeken te drukken…

Het was een fikse klus, maar straks liggen ze klaar, eerst op de bureaus van veel eindexamenkandidaten. In de zomer zullen tienduizenden aanstaande brugpiepers ze aanschaffen – en de jaren daarna hopelijk vaak gebruiken. Vinden ze snel wat ze zoeken, dan is de missie pas echt geslaagd. Ik ben dan zelf alweer met volgende projecten bezig, zoals het trainen van mijn schrijfspier.

20180329

Vondel, dt-fouten en de Smurfenregel

In mijn vorige blog had ik het over de bekende, hardnekkige dt-fouten die Vondel nog niet maakte. Onderzoekster Lien van Abbeneyen wijt deze aan ons krachtige geheugen voor woordbeelden. Dat geheugen kent word en wordt beide als correcte vormen, net als gebeurt en gebeurd en haalt ze vervolgens hopeloos door elkaar*. Laten we daarom nog even de Smurfenregel aanhalen: een ezelsbruggetje waarmee je veel fouten kunt voorkomen.

Hoor je een t-klank aan het eind van het werkwoord, vervang dat werkwoord dan door smurfen:
# Het weer word[t] beter. >> Het weer smurft beter.
Hoor je een t achter smurf, dan schrijf je ‘m ook achter word. Hoor je die niet, dan schrijf je ‘m er dus ook niet achter:
# Zij smurft morgen 61 jaar. >> Zij wordt morgen 61 jaar.
# Ik smurf morgen 21 jaar. >> Ik word volgende maand 21 jaar.
Smurft deze regel ook in de vragende vorm?  Wat smurf je zelf? Ja dus.

Helaas werkt de Smurfenregel alleen bij de tegenwoordige tijd, niet bij voltooid deelwoorden:
# Met schaatsen zit ik aan de tv gekluisterd. >> gesmurft
Niet gekluisterdt dus…

Overigens heb ik niet zo veel met Smurfen. Ze hebben een armoedige taal met maar één werkwoord. Ze staan voor een gesloten, uniforme gemeenschap met een sterke leider en weinig gevoel voor humor (de Lolsmurf krijgt bitter weinig lachjes los). Wilders vertelde ooit in het Jeugdjournaal dat het zijn favoriete strip is. Gelukkig kan die hele Smurfenregel prima overboord, door in plaats van smurfen een ander werkwoord te gebruiken waarvan de stam op een klank eindigt die voor komt in ‘t kofschip, zoals werken:
# Zij werkt morgen 61 jaar. >> Zij wordt morgen 61 jaar.

Of maak ik het nu weer verwarrend?

20180102

* We hebben ook moeite met gelijke klanken die verschillend worden geschreven. Denk maar aan een `brei van gegevens’ en `een druk leven lijden’.

 

Nog meer fout Nederlands, of niet?

Taal verandert, schreef ik al eens in mijn postje Fout Nederlands… Wie bepaald dat? Voortdurend ontstaan nieuwe woorden, uitdrukkingen, waarvan de meeste in korte tijd weer in vergetelheid raken. Ook de regels en normen die we officieel vastleggen in grammatica’s en in ons eigen hoofd zijn minder in beton gegoten dan we misschien denken. Ons gezamenlijke, min of meer gedeelde taalgevoel is bezig aan een eeuwige wandeling door het Park van de Onbegrensde Talige Mogelijkheden en blijft zelden lang ergens hangen.

Geen enkele reden dus om uit te sluiten dat dit misschien ooit een volkomen aanvaardbare zin wordt:

Het meisje, die zit te snapchatten, beseft zich niet dat er een ongeluk gebeurd, ondanks dat ze met haar neus letterlijk bovenop de dodelijke slachtoffers zit.

Pak het rode potlood er maar bij:

  1. het meisje, die > het meisje, dat
  2. beseft zich > realiseert zich of beseft
  3. ondanks dat > ondanks het feit dat of hoewel
  4. letterlijk > figuurlijk
  5. dodelijke slachtoffers > dode slachtoffers

Nummer 1, 2 en 3 zijn weliswaar omstreden, maar staan hoog in de top 10 van meestgemaakte taalfouten. Geef ze nog net wat meer massa en voor je het weet zijn de woordenboeken en grammatica’s op deze punten bijgewerkt en weer helemaal in lijn met de taalrealiteit.

Wat betreft letterlijk: Ik heb al uit meerdere taalkundig hoog opgeleide hoeken gehoord dat je het prima in versterkende zin kunt gebruiken – zelfs als het daarmee juist de tegenovergestelde betekenis krijgt. Ik krijg er vooralsnog letterlijk een rode waas van voor mijn ogen…

Dodelijke slachtoffers? Mijn hoongelach als deze term weer eens valt bij het achtuurjournaal blijkt hol en ongepast. De Taalunie beschouwt het als een `bijzondere betekenisverhouding’ tussen bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord, een ingedikte vorm van `slachtoffers als gevolg van een dodelijke gebeurtenis’, zoals je ook luie stoel hebt, staande receptie en lopend buffet. Hier botst dus mijn persoonlijke taalregel met de officiële, ook dát nog.

U had natuurlijk niet over gebeurd heengelezen. Ook de vermaledijde dt-beregeling biedt een mooi voorbeeld van de betrekkelijkheid van taalregels en hun houdbaarheid. Of zouden wij onze Prins der Dichters Vondel durven verdenken van een dt-fout?

[…] niets is ‘er schadelijcker als eige liefde, die fraeye vernuften verblint, en onderhout.

Joost mag het weten: laten we ons niet blindstaren op de door onszelf opgelegde taalregels. Ze dienen althans een hoger doel: communicatie, onderling en wederzijds begrip, harmonie, vrede. Het is tenslotte bijna Kerstmis ook. Toch hoop ik dat het aantal `dodelijke slachtoffers’ volgend jaar letterlijk gedaalt is tot nul.

20171214