M
et de nationale evenementen net achter ons en de sportzomer voor ons, liggen de winkels weer vol met oranje gekleurde waar waarmee we gezamenlijk vieren Nederlander te zijn. Altijd een succes: partybrillen, opblaasbare bestelhanden (`vijf bier voor de koning’), tompouces en bitterballen zijn niet aan te slepen.
Nederland en Oranje: een merkwaardig historisch toeval, waarbij een Zuid-Franse provinciestad en een citrusvrucht uit het Verre Oosten verstrengeld raken met een niet heel aanzienlijke edelman uit een laag landje aan de Noordzee.
De stad was vernoemd naar een Keltische watergod en de Romeinen verbasterden de naam tot `Arausio’. Eeuwen gaan voorbij – waarin in heel Europa het woord `oranje’ niet voorkomt. Een vogel met oranje borstveren wordt roodborstje genoemd, iemand met peenkleurig haar is roodharig. Die missing link tussen rood en geel wordt gelegd als via de Zijderoute een wonderbaarlijke vrucht uit China wordt geïmporteerd: China’s appel, in het Arabisch `naranga’, in het Italiaans verbasterd tot `arancia’.
De stad, inmiddels verbasterd tot `Araunche’, ligt op de handelsroute naar Parijs, waar de `pommes d’orenge’ zeer worden gewaardeerd. Zo komt het dat de stad, en het prinsdommetje eromheen `Orange’ gaat heten. De link is gelegd: Orange is, ook in het Frans, door de sinaasappel geassimileerd, kleur en al.
Dan sneuvelt, in 1544, de prins van Orange, René van Chalon, overigens ook graaf van Nassau. Hij laat zijn prinsdom na aan zijn neef, Willem, die en passant ook diens wapenspreuk `je maintiendrai’ annexeert. Hoe Hollands wil je het hebben?
De min of meer Nederlandse nakomelingen van deze Zwijger blijven tot 1713 prins van Oranje heten. Daarna vervalt het prinsdom allengs aan de Franse koning. Alleen in het Wilhelmus blijft de connectie bestaan. Dat is overigens pas sinds 1932 het Nederlandse volkslied. Gut, wat is alles toch tijdelijk en toevallig.
Denk daar maar eens over na als je je oranje tompouce eet.
20260507
e blijkt er geld mee te kunnen verdienen: zo snel mogelijk een Rubiks kubus oplossen. Zag ik laatst in het Jeugdjournaal. Rick Hamburger doet het. Goed om te weten voor iemand die, zoals dat heet, `tussen twee banen’ zit.
iteratuur is voor tevredenen of legen.
nap staaltje, dat de spinners van het CDA in staat waren zo’n gewiekst frame uit de mouw te schudden; dat ze het zelfs verankerd kregen in het regeerakkoord: de Vrijheidsbijdrage. Een extra belasting om meer wapens en militair personeel te financieren. Hadden ze dit item er net zo klakkeloos in kunnen fietsen als ze het gewoon `Extra DefensieBelasting’ hadden genoemd? Natuurlijk niet: de term `Defensie’ is al wazig en weinig urgent; op Extra Belasting zit niemand te wachten.
r zijn nog steeds mensen die blind vertrouwen op wat ChatGPT ze vertelt. Wat je terugkrijgt op je prompt klinkt immers als goed Nederlands, geformuleerd in vriendelijke volzinnen. Je vraagt om het beste recept voor appeltaart en je krijgt het. Alsof een sympathieke, weldenkende en goed geïnformeerde instantie tot je spreekt, die elke vraag serieus neemt en geduldig beantwoordt. Intelligent, zo lijkt het.
e meester van mijn zesde klas las de uitslagen van de Cito-toets met een flinke dot ceremonieel voor. Niet alfabetisch, maar van de laagste naar de hoogste percentielscore. Wreed? Zeker! Sadistisch? Niet zo bedoeld, denk ik. De eerst genoemde kinderen konden hun tranen niet bedwingen bij de publiekelijke vernedering. Degenen met de hoogste scores kraaiden van geluk: eindelijk stonden de studiebollen bovenaan, na jaren van gepest op het schoolplein.
ls woordenboekenmaker stuitte ik soms op wonderlijke verschillen in culturen, zoals het regent pijpenstelen versus it’s raining cats and dogs. Of hoe het ene volk vloekt en scheldt met ziektes en het andere met seksuele of stoelganggerelateerde taboes. Of de tientallen woorden waarmee Inuit verschillende soorten sneeuw en ijs onderscheiden.
et ooit zo houterig degelijke NOS-journaal bedient zich steeds vaker van informele, eenvoudige taal. De presentators lezen losjes de op B1- taalniveau afgeregelde autocue voor. Verslaggevers in vrijetijdskledij interviewen `het volk’, dat in eigen woorden de vork in de steel mag duiden. `Het is ongelofelijk’ en `ik heb er geen woorden voor’, hoor je dan ook regelmatig.
ecember, lijstjestijd én opruimtijd. Zo heb ik nog stapels blogs-in-spe die zich maar niet willen manifesteren. Vragen waar je geen antwoord op hoeft te verwachten, ergernisjes waarin ik me hebt vastgebeten, trivia die ik nooit ergens smakelijk kan droppen, verstofte stokpaardjes die maar in m’n systeem blijven rondtrappelen. Herkenbaar? Mooi moment om er een paar af te vinken.
chaarste is, enerzijds, een groot goed. Ik was dertien en kersvers Beatlesfan. Bootlegs* – ongeautoriseerde geluidsopnames – waren voor mij de Heilige Graal, begeerlijker nog dan de reguliere albums. Veel duurder dus ook. Groot was dan ook mijn geluk toen ik, op een fanclubdag, een cassettebandje wist te scoren met daarop middag- en avondconcert van mijn Fab Four in Houston, 1965.
Meat is murder’ is een bekende plaat van The Smiths uit 1985. Voorzanger en vega-activist Morrissey bant sindsdien overal waar hij optreedt vlees van het menu. De albumtitel legt een verschil bloot dat we in het Nederlands niet hebben. Het Nederlands kent alleen vlees, maar in het Engels is `meat’ de aanduiding van vlees als consumptieartikel. `Flesh’ daarentegen leeft en is niet bedoeld om te eten. Door `flesh’ om te labelen tot `meat’ verhul je dat je levende dieren vermoordt om hun dode vlees, zal Morrissey gedacht hebben.
OSDRAF, las ik in een ondertitel van een klassieke dansfilm die me in de zomer door omroep ONS werd voorgeschoteld. Was het de manier van lopen van een vos? Nee, dat zou `vossendraf’ heten. Een plant dan, zoals hondsdraf? Ook niet. Internet levert één zoekresultaat, gekoppeld aan… fox trot! Natuurlijk, dansen, foxtrot, vosdraf.*
laat Utregs proate werd ons wel afgeleerd door mijn moeder. Zelf opgegroeid in de volksbuurt Geuzenwijk verfoeide ze toch de tongval die door Rijk de Gooijer en later Tineke Schouten en Herman Berkien landelijke bekendheid verwierf. Mijn moeder doorliep in de brave jaren ’50 de keurige kweekschool en werd kleuterjuf. Thuis was verzorgd taalgebruik de norm. We kwamen te wonen in Overvecht, het Almere van Utrecht, dat in de late jaren ’60 verrees op opgespoten zand. Mijn broertjes en ik pikten dus op school en op straat meer Utregs op dan mijn moeder lief was. We konden haar niet beter plagen dan door bij de lunch te vragen: `Maag ‘k ‘n plakie koas?’
olgend jaar verschijnt het laatste papieren Groene Boekje, las ik laatst in mijn taallijfblad Onze Taal. Ik werd er nostalgisch van. Wat barstte er in 1995 nog een gekrakeel los over de nieuwe officiële spelling. De pannenkoek en het hondenhok joegen veel taalliefhebbers en -professionals de barricaden op. Verfijnde regels leidden tot re-integratie naast reïncarnatie en tot onlogische woordbeelden als would-beschrijver. Appèl verloor het accent dat het onderscheidde van appel. En zo voorts enzoverder. De groene golf legde iedereen aan de spellingchecker.
P HUN PIK GETRAPT! De stelling van Koot en Bie – op hun Simpelpee uit 1980 – mag gelden als een staaltje profetisch inzicht.
ntelbare keren heeft die ijle stem me dat afgelopen decennia al toegezongen; op vakantie laatst ook nog in het Frans, Spaans en Portugees. `Karglas vervangt’, ook nog.
pa en oma Dol lazen De Typhoon, want ze woonden in Zaandam en droegen het roode hart links. Die verzetskrant was vernoemd naar een Brits oorlogsvliegtuig, maar opa en oma spraken het op z’n Nederlands uit: `de Tiefoon’. Wisten zij veel…
en jaar geleden werden de steigers afgebroken rond de Utrechtse Domtoren, na jaren van restauratie. Maar liefst 600 m³ natuursteen was vervangen, evenals rot hout, gebroken glas-in-lood, lekkend lood- en leiwerk. Nu kan de toren er weer een paar decennia tegenaan*.
ls achtjarige was ik diep onder de indruk van de donderende stem van Ko van Dijk, een van de vele vertellers die zich door Prokofjevs `Peter en de Wolf’ heen hebben geschmierd. Hij baste me de boodschap in klare taal toe: pas op voor wolven, gevaar, gevaar! Wolven zijn altijd de bad guys geweest, of ze nou hun scherpe tanden wilden zetten in Peter, Roodkapje of de drie biggetjes, of ze nou in het bos slopen of met de hele roedel Wall Street bij elkaar huilden.
n `Transit’ (Boekenweekgeschenk 1994) van Hella Haasse vond ik het woord `rapiarium’: een verzameling losse blaadjes, notities, ideeën, aantekeningen – uit het Latijn (rapere: plukken). Zoiets heb ik ook. Ik lees of luister en mijn talige brein gaat ermee aan de haal. Geestige spelingen van het woordlot (aangeschoten kroegtijger) of het plotse besef dat een woord echt betekent wat het betekent (een beetje is een kleine hap). Ze vallen me in en soms noteer ik ze, net als de aanhangers van de Moderne Devotie dat in hun rapiaria deden.
abels komen, labels gaan. Nog niet zo lang geleden kon je onbesmuikt reppen van een gevaarlijke gek, als iemand schuimbekkend en raaskallend over straat rende. Maar deskundigen en het grote publiek kantelden: iemand botweg voor gek verklaren kon niet meer. Zo iemand gingen we `verward’ noemen, een woord dat we eerder gebruikten als je bijvoorbeeld suiker in de soep deed, een naam verhapselde of zonder sleutels van huis ging.
et jargon van weermannen en weervrouwen* is zo voorspelbaar als hun onderwerp: `de hitte houdt Europa in zijn greep’, `het kwik stijgt lokaal tot tropische waarden’, `de temperatuur doet er morgen nog een flinke schep bovenop’, `dat kan gepaard gaan met stevige onweersbuien’. En bijna altijd weer is er meer of minder, amper of juist volop `ruimte voor de zon’. Ga maar eens turven hoe vaak je dat hoort**.
ij een AI-workshop legde ik ChatGPT een aantal van mijn blogs voor en liet mijn schrijfwijze analyseren: zinslengte, woordkeus, stijlfiguren. Schalks vroeg ik de tool vervolgens een nieuwe blog `op z’n Roelands’ te schrijven over de gevaren van kunstmatige intelligentie voor de literatuur.
emand kan wel onbesuisd zijn, maar ik ben nog nooit een besuisd persoon tegengekomen. Voorraden lijken wel altijd onuitputtelijk te zijn, nooit uitputtelijk*.
ls je klein woont en/of veel verhuist, condenseer je vanzelf je materiële bezit. Zo past dat wat nog rest van mijn gehele schoolgaande carrière – van mijn aap-noot-Mies tot en met mijn doctoraalbul – inmiddels in één gehavende HEMA schooltas uit 1979.
n de sprinter – ofwel het `stoppertje’, zoals de conducteur hem noemt – tussen Amersfoort en Putten mag ik meeluisteren naar een vrolijke vrouwenstem die vertelt hoe ze had geholpen met `aflammeren’. Wat je dan precies doet, ontgaat me, maar het resultaat was dat moeder en kind schaap het goed maakten, gelukkig maar.
578, Portugal, machtige zeevaardersnatie, Europa’s eerste koloniale macht, zucht onder de pest, mislukte oogsten en economische depressie. Goed moment, meent de piepjonge koning Sebastião, om een kruistocht te ondernemen tegen de ongelovigen van Noord-Afrika. Bij Alcacér Quibir stelt hij zijn leger in slagorde op, met aan één kant de Vleugel der Verliefden, een bataljon frivole jonge, ongetrouwde edelmannen, wel toebereid op een glorieuze overwinning en eeuwige roem, maar niet zo zeer op het gevecht.
ookies: niet alleen jij smult ervan – met `gepersonificeerde inhoud’ en op jou afgestemde advertenties – maar vooral degene die ze plaatst en zich te goed doet aan al die heerlijke data uit jouw privéwereld.
ké, nu ga ik een Echt Blog schrijven. Ik heb een professionele schrijftraining gehad, onder leiding van een ervaren coach, met een handboek ernaast. Geen spielerei meer, geen associatieve aaneenschakeling van woordspelige trouvailles, maar een Echt Blog. Dat is mijn doel vandaag.
o luidt de wonderlijke kop in een blog* onder de noemer `Keep moving’. Het artikel opent: `dus kocht u een biefstuk en gooide deze in uw koelkast aan het begin van de week. Het weekend is hier en je bent van plan om een lekker chique diner. Ziedaar, de steak lijkt een beetje vreemd.’
orige week werd orthopedagoog Tamara Luijer op RTL geïnterviewd, deze week was de beurt aan Timo Roeke van de Vogelbescherming. Later die avond schakelde mijn speelse hoofd van de tweede naar de vijfde versnelling, toen ik bij het crosstrainen een aflevering van QI* zag. Daarin besprak Stephen Fry het wonderlijke fenomeen dat mensen soms hun beroep bij hun naam gekozen lijken te hebben.