ALLES MOET WEG!

Veel winkelstraten in Utrecht lijken op een gatenkaas, of een rot gebit. In de strijd tegen de dozenschuivers van het internet leggen steeds meer klassieke winkels het loodje. Vastgeroeste, bejaarde ketens sluiten de knarsende deuren. Da’s mooi, want zo ontstaat er ruimte voor nieuwe, kleine zaakjes, creatieve geesten en woonruimte. Maar dat terzijde.

Vaak gaan in de laatste weken de etalages van zieltogende winkels in de paniekstand. Krijsende chocoladeletters beloven kortingen die, naarmate het uur U vordert, steeds meer economische wetten tarten: 50, 70, 80 procent korting. Terneergeslagen personeel schuifelt doelloos tussen de halfvolle schappen, ontwijkt de medelijdende blikken van voorbijgangers.

ALLES MOET WEG is de ultieme boodschap waarmee de winkelier zichzelf overlevert aan de genade van de klant. Deze zal het een zorg zijn wat de winkelier met zijn winkeldochters aan moet. De push-leus waarmee de winkelier zijn eigen wanhopige verlangen ventileert, staat haaks op de behoefte van de consument, die op zoek is naar een leuk voordeeltje, een onverwacht koopje.

Zou de winkelier kiezen voor het waarschuwende ALLES GAAT WEG, zou dan de pull-factor niet veel groter zijn? Daarmee zeg je: `Hee, dit is niet een onttakelde uitdragerij, maar hier wil je je slag slaan nu het nog kàn. Als je te laat bent, is het je eigen schuld!’

Zoiets komt misschien wat arrogant over, maar wat straal je liever uit in het aanzicht van een vol magazijn vol winkeldochters en een nakend bankroet?

20170608

Hikkuur

Het is leuk om iets te weten of te kunnen wat weinig anderen kunnen of weten. Het geeft een zekere macht. Je kunt er anderen mee verbluffen, overtroeven of te kakken zetten. Het kan zich ook tegen je keren, bijvoorbeeld als je in het gevlei wil komen bij de leraar, maar je je daardoor vervreemdt van je klasgenoten.

Klakkeloos op je trucje vertrouwen maakt je ook kwetsbaar. Stel dat het ineens niet meer werkt en je hoort ineens het natuurijs van je zelfvertrouwen kraken…

Mijn trucje leerde ik in een lesuur Latijn. De docent, Maarten Etmans, was een imposante verschijning met vervaarlijke donkere wenkbrauwen en een enorme baard. Kleedde zich in dikke vesten, bruine corduroy broeken en sandalen met wollen sokken. Tijdens proefwerken boog hij zich over enorme schaakboekwerken, als hij niet met half dichtgeknepen ogen rondloerde of een van ons spiekte.

Hij speelde met ons bleue gymnasiastjes als een sluwe vos met een veldmuis. Hakkelde je een fout antwoord, dan noemde hij je in een milde bui `konijn’. Anders bleef hij je onbeweeglijk aanstaren tot je niet meer wist waar je het zoeken moest van de zenuwen. Er zijn er in huilen uitgebarsten.

Een van mijn klasgenoten, een tengere studiebol, kreeg ooit de hik bij een mondelinge overhoring. Etmans was in een goede stemming en liet bij de conciërge een glas water en een tafelmes halen. Hij zette het mes met het lemmet naar beneden in het glas en beval het arme slachtoffer het in één teug te legen. Het konijn dronk, het heft tegen zijn wang gedrukt. Meteen was hij miraculeus van zijn hik genezen!

Ik heb sinds mijn dertiende tientallen malen deze remedie aanbevolen als iemand de hik kreeg. Doorgaans reageerde men sceptisch – `dat werkt toch nooit?’ – of probeerde men de psychologie erachter te duiden – `ah, dus je concentreert je op dat mes, niet meer op je hik’. Maar het mes in het glas water werkte altijd, elke keer weer. En bij elke keer groeide het vertrouwen in mij, het overwicht van mijn kennis. En elke keer straalde ik dat vertrouwen meer uit.

Totdat het me ontglipte… Het was een prachtige zomeravond, een bruiloftsfeest waar ik speelde met mijn jazztrio. De pianist had last van een hardnekkige hikaanval, dus ik pochte bijna achteloos met de methode-Etmans. Hij twijfelde, maar liet zich toch overhalen. Mijn hart zonk in mijn schoenen, toen 10 seconden na het ledigen van het glas het middenrif van de pianist zich weer eigenmachtig samentrok, waarop de strotklep hard sloot: HIK! Vijf minuten later hikte hij nog steeds. Ik was ontmaskerd, een kwakzalver. Quod erat demonstrandum.

Als ik mezelf nu op de divan leg, zie ik een schuchtere puber, geïmponeerd door een oudtestamentische halfgod, wiens autoriteit pas na decennia zo was afgezwakt dat het placebo-effect van zijn hikkuur niet meer geloofwaardig was.

Jammer voor de pianist en andere, toekomstige hikkers, dat dan weer wel: ik zal nooit meer op de truc vertrouwen.

20170528

Vergelijkingen als sloopkogels

Een paar jaar geleden vond Geert Wilders de Koran `erger dan Mein Kampf’ (en ik vermoed dat hij sindsdien niet van mening is veranderd). Weldenkend Nederland was ontzet: je kunt de Koran toch zeker niet met Mein Kampf vergelijken?! Eh… jawel hoor, en daar is op zich niets mis mee. We vergelijken allemaal.

Als je vergelijkt, onderzoek je X en Y en stel je vast wat de overeenkomsten en verschillen zijn. Een appel is een vrucht en een peer ook, maar de een bewaar je voor de dorst en als de ander gebakken is, blijf je ermee zitten. Of je onderzoekt met welk van de twee je de beste eau-de-vie maakt, of stroop, welke het langst houdbaar is of het lekkerst smaakt? Het is maar net wat je wilt weten en meten. Stel de goede vragen, vergelijk, onderzoek, evalueer. Helder.

De Koran en Mein Kampf zijn ook goed vergelijkbaar. Er zijn zelfs best wat overeenkomsten: beide zijn geschriften die grote groepen mensen hebben geïnspireerd, tot grote daadkracht gebracht en de loop van de geschiedenis beïnvloed, om neutraal te beginnen. Er zijn ook verschillen: de Koran staat in een religieuze context en Mein Kampf is vooral politiek gedreven.

Wilders stelt dat in de Koran meer anti-Joodse passages staan dan in Mein Kampf. Hoe onderzoek je dat? Woorden tegen elkaar wegstrepen? Het percentage berekenen? Zijn sommige passages anti-Joodser dan andere? Dat vraagt nogal wat gepuzzel. Wilders vindt de Koran vooral erger omdat hij meent dat moslims de geboden van de Koran strikt volgen. Nou ja, dat valt maar te bezien. In de uitoefening van hun anti-Joodsheid waren de navolgers van Hitler behoorlijk gefocust. Moslims zelf zijn het vaak onderling zo oneens dat ze juist elkáár met messen, kogels en bommen te lijf gaan.

Gaat het echt om die passages? Waarom richt Geert zijn – en onze – aandacht op Mein Kampf, als hij het over de Koran wil hebben? Niet om een zinvolle vergelijking te maken. Hij gebruikt het meest gehate boek dat ooit is verschenen om dat andere boek nog gehater te maken. Dat is een oud retorisch truukje. `Kopvoddentaks’ was ook een beeldende vondst van jewelste die in de media goed heeft gescoord.

Ben je niet uit op waarheidsvinding of een zinvolle dialoog, sla dan je opponenten elk argument uit handen met vergelijkingen als sloopkogels, waarop geen zinnige repliek mogelijk is.

[20170512]

Kennis is kneedbaar

ISIS is een zionistisch complot om de islam te demoniseren. Dit wordt nog door velen betwist, maar deze waarheid laat zich op internet de mond niet snoeren. Uiteindelijk wordt dit de algemene mening en daarmee een onweerlegbaar feit. Kennis is kneedbaarder dan ooit.

Ooit werd alle informatie van mond tot mond doorgegeven, zoals de Odysee, in dichtvorm. Wie het verhaal het best kon vertellen, aan een enkeling of een kleine groep mensen, had de aandacht en daarmee de macht.

Toen het verhaal geschreven kon worden, geschilderd, of gedrukt op kostbaar papier, werd informatie een kostbare aangelegenheid. Enkel de Bijbel, de Wet, geldzaken en de kronieken van de heersende klasse waren het beschrijven waard. En omgekeerd: wat geschreven stond, was de waarheid. Wie het papier beheerste, bepaalde wat de massa geloofde, wie het recht en het geld had, en zelfs hoe de geschiedenis was verlopen. De machthebbers lieten op schrift aantonen dat ze afstamden van de goden, of legendarische voorouders, en dus legitiem heersten over Egypte, Griekenland, Rome, China, India, Europa, de Nieuwe Wereld, de rest. En wie kon ze tegenspreken?

Tot ver in de 19e eeuw was het verspreiden van informatie, en zelfs de directe toegang ertoe, grotendeels voorbehouden aan de happy few. Met de industriële revolutie en de komst van fotografie, geluidsopname, film, radio en tv explodeerde de informatieoverdracht. Wie deze media beheerste, kon een multinational, een superster, een Derde Rijk creëren. Met zorgvuldig gecomponeerde propaganda, goed doordachte reclame kon je zo goed als de hele wereldbevolking bereiken, informeren, manipuleren, infecteren. Nog steeds van bovenaf.

Deze status quo is met het internet en de sociale media in een recordtempo doorbroken. Twintig jaar geleden had nog bijna geen enkele particulier meer mogelijkheden om informatie, kennis of mening te delen dan een (ingezonden) brief, een (vaste) telefoon of een deelname aan een demonstratie. Nu kan iedereen die handig is met een telefooncamera een vlog beginnen, een tirade afsteken op Twitter of Facebook en zo potentieel de gehele internetcommunity bereiken. De wereld is een dorpsplein geworden, met miljoenen zeepkisten.

Twintig jaar geleden had nog bijna geen particulier andere mogelijkheden om informatie te verzamelen dan via het reguliere onderwijs, de gedrukte pers, radio of televisie. Inmiddels is de kennisconsument gewend geraakt aan ongecontroleerde, vrije, `democratische informatie’, uit een verbluffend aantal bronnen. Gratis, gesponsord of betaald; al dan niet belast door slordigheid of domheid, al dan niet gedreven door religieuze of politieke agenda. Officiële bronnen worden ontmaskerd door particulieren, maar ook die kunnen met simpele apps beeld en geluid manipuleren tot de werkelijkheid past binnen hun overtuiging. Al die al dan niet zorgvuldig geknede kennis…

En wij moeten kiezen tussen al die aanbieders. En we doen dat, blijkt, op eigen, volstrekt logische wijze: `ik kies de waarheid die het best bij mijn opvattingen past, de feiten die het best overeenkomen met mijn eigen wereldbeeld.’ Als het niet waar kan zijn, dan is het dus niet waar. Kiezen wat jou waar lijkt, waar is, op basis van je eigen voorkeuren en ook… op je bereidheid om informatie te aanvaarden die gecontroleerd, getoetst is. En daar zelfs voor te betalen, of niet. Het is niet langer de krant, dat dure, trage, oude medium, dat bepaalt wat er op jouw voorpagina komt. Het zijn niet langer de autoriteiten die je op hun woord gelooft. Jij bent de koning van je eigen selectie van waarheden en niemand die jou nog kan tegenspreken.

Nu is het dus het totaal van ons informatieconsumenten die met onze keuzes bepalen hoe onze gezamenlijke waarheden er gemiddeld uitzien. Hebben er echt mensen op de maan gestaan? Zoek op internet en je ziet meer scepsis dan je misschien verwacht. Werd MH17 neergehaald door een Russische of een Oekraïense raket? Per ongeluk of expres? We zullen het nooit weten, door het bombardement van tegenstrijdige verhalen van regeringen en ooggetuigen. Maar uiteindelijk komt het mooiste verhaal met de langste adem in de geschiedenisboekjes, bij wijze van spreken dan.

20170415

Slobkousen en Gijsbrecht

Dagobert kende ik als jong kind enkel als de gierige oom (Engels: Scrooge McDuck) van Donald Duck, held van mijn vrolijke weekblad. Toen ik later door een geschiedenisboek bladerde en las dat er ook een Frankische koning Dagobert was, stond ik versteld. `Geboren in Épinay-sur-Seine, 603.’ Zou deze ook slobkousen – magisch onbekende kledingstukken – hebben gedragen?

Kort geleden kwam ik in de Prisma Frans-Nederlands de uitdrukking `à bras raccourci’ tegen, `met al zijn krachten’. Verdomd, da’s Abraracourcix, stamhoofd van het Gallische dorp van Asterix. En de bard, realiseer ik me nu, heet Assurancetourix, allriskverzekering.

Erger nog: Vondels Gijsbrecht las ik niet tijdens mijn studie Nederlandse taal en letteren, maar de eerste regels leerde ik als tienjarige al wel kennen toen Donald Duck met veel bombast en opgeheven wijsvinger debiteerde: `Het hemelsche gerecht heeft zich ten lange lesten / Erbarremt over my en mijn benaeuwde vesten’.

Wat een prachtige botsing van getekende en geleefde werkelijkheden. Wat een schat aan context bevatten zelfs die vaak zo geminachte stripalbums: zinspelingen, dubbele bodems en toevalligheden – in het origineel of in de bewerking al dan niet bedoeld toegevoegd door de auteur. Het is aan de verbeelding van de lezer, met al zijn/haar kennis, ervaring, taalgevoel en geest om ze eruit te pikken.

20170406

Show, don’t tell

Dit is een heel kort stukje over een ijzeren wet uit de wereld van film en theater. Je hebt maar heel weinig, of geen, woorden nodig als een beeld helder en effectief je verhaal vertelt. Een acteur die verbouwereerd kijkt omdat zijn personage keihard gedumpt wordt door zijn mooie tegenspeelster, hoeft niet alsnog uit te roepen `maar ik was er zó van overtuigd dat je met me wilde trouwen!’

Twee voorbeelden:

Cirkel: de verzameling punten in een plat vlak met een constante afstand tot een centraal middenpunt.
Diameter: afstand tussen een punt op een cirkel en het punt dat er precies tegenover ligt.
Straal: de afstand van een willekeurig punt op de rand van een cirkel tot het middelpunt.
Middelpunt: het punt dat tot alle punten op de omtrek dezelfde afstand heeft.

Beschrijf zelf het gevoel dat Leonardo hier probeert over te brengen.

Valt niet mee, hè? Een cocktail van energiek, onbeteugeld optimisme, om maar een voorschotje te geven.

Als overtuigd woordenboekenmaker heb ik hiermee wel een probleem. Ik ga uit van een afgeronde wereld waarin elk object, concept en gevoel uit te drukken valt in de taal die eromheen cirkelt. En dat kan ook. Maar als het doel is om iemand iets snel duidelijk te maken, is beeld soms een beter middel dan taal.

20170330

Over toevallige gaten en neologismen

Stel, je vergelijkt onze taal met het heelal – en de woorden die we gebruiken zijn sterren en planeten – dan is er nog een heleboel `donkere materie’, woorden die we niet kunnen waarnemen, maar wel bestaanbaar zijn.

Neem bijvoorbeeld `spoedig’ en `slordig’. De eerste is het bijvoeglijk naamwoord van `spoed’, maar `slord’ klinkt wat vreemd. Datzelfde verschijnsel zie je bij `moedig’ en `manmoedig’: je hebt wel `moed’ maar niet `manmoed’.

Verander je een werkwoord in een zelfstandig naamwoord, dan vallen er ook gaten. Je kunt wel `bevallen’ en zo een `bevalling’ ondergaan, maar gewoon `vallen’ en dan een `valling’ meemaken?

Veel van die toevallige gaten – mijn vertaling van de Engelse term accidental gap – kun je vinden door te spelen met voor- en achtervoegsels: besuisd/onbesuisd, onvergetelijk/vergetelijk, hervinden/herzoeken, radeloos/radelijk. Hetzelfde geldt voor samenstellingen: waarom kan een leger wel luchtsteun geven, maar geen zeesteun, of landsteun?

Soms is een woord wel aanwezig in de ene taal en niet in de andere. Waar veel talen een woord hebben voor `broer of zus’ (Engels: sibling), moeten we het in het Nederlands zonder stellen. En waarom zouden alleen de Belgen zich mogen bedienen van het prachtig symmetrische `schoonbroer’ waar wij `zwager’ zeggen?

Elke dag manifesteren zich nieuwe woorden, neologismen, schijnbaar uit het niets. Vaak banale aaneenrijgingen zoals `kopvoddentaks’ of `Oranjebabe’ – doorzichtige samenstellingen, zoals lexicografen ze noemen. Of voor de hand liggende barbarismen als `twitteren’. Vele zijn eendagsvliegen of, om de analogie door te zetten, vallende sterren. Ze vlammen even op, zolang ze een functie hebben in het sociale, politieke, technologische leven en verdwijnen dan weer in het immateriële. Sommige zijn slim bedacht, zoals Kees van Kootens `otofoto’ (selfie), helaas te gekunsteld om levensvatbaar te zijn.

Maar er zijn ook wonderlijke vondsten die zich bijna als vanzelf nestelen in het collectieve brein van de taalgebruiker. `Ontlezing’ is een mooie, als woord dan. Een relatief nieuwe ster aan het taalfirmament. En als we het nieuws mogen geloven, dan is het helaas een blijverdje, geen vertrekkertje.

20170323

Proef je taal

Vaak zijn woorden en uitdrukkingen niet meer dan vervoermiddelen voor je gedachten. Je luistert er niet eens meer naar: je praat alsof je fietst. Gelukkig maar. Zou je aan elk woord blijven hangen, dan zou elke gedachtegang behoorlijk tijdrovend worden.

Sta je wel wat langer stil bij wat je zegt, dan blijk je voortdurend prachtige beelden te creëren, die je wegvoeren van de prozaïsche werkelijkheid. Maar pas op: voor je het weet, loopt deze bezigheid een beetje uit de hand. Een beetje! Een `kleine beet’, een klein hapje dus eigenlijk. Uit de hand lopen! Je ziet het zo voor je, bijna. Je hebt de situatie in de palm van je hand maar je kijkt even weg en ze gaat ervan door als een driejarige op de kermis.

In veel van onze woorden proef je de oorspronkelijke taal. Petieterig komt van het Franse `petit’, maar het wordt nog nietiger door ons achtervoegsel `-erig’. Een serpentine is wel helemaal Frans, maar hoe vaak zie je het `slangetje’ dat het voorstelt? En die pipet die eigenlijk een `kleine pijp’ is?

En blijf ook eens hangen aan heel Nederlandse uitdrukkingen als jezelf bedruipen, aan de dood ontsnappen of iets met iemand te stellen hebben. Vat ze eens letterlijk op. Opvatten is ook mooi, `oppakken’ dus. Dit is je reinste taalculinaria. Laat af en toe de woorden eens langzaam over je tong heen en weer rollen en geniet.

Maar pas dus wel op: het kan je je vrijheid kosten (verslavend zijn).

20170316

`Zul je net zien dat…’

Je haalt de trein op het nippertje, sollicitatiegesprek om half 10 in Den Haag. De deuren sluiten achter je en de trein trekt op, richting Amsterdam. Je had die van spoor 7 moeten hebben, niet die van spoor 5. Waar is spoor 6 trouwens gebleven?

Je houdt je altijd aan de verkeersregels – `als iederéén dat nou zou doen…’ – maar net die ene keer dat je een rood lichtje pakt – niemand in de buurt, geen zuchtje gevaar of hinder – staat Bromsnor achter een boom, met zijn boekje in de aanslag. Of je doneert al jaren aan Jantje Beton, zetten ze pal voor jouw huis een speeltuintje neer waar tot diep in de nacht geblowd en gedeald wordt – overdag is er geen Jantje te bekennen.

Er zijn talloze manieren om onheil, verdriet, ongeluk, te dragen. Je kunt ermee worstelen, het verwerken als een keukenmachine of een printopdracht, erin blijven hangen als in een visnet. Je kunt het negeren als een roze olifant of het loslaten als een loeihete ovenschaal. Je kunt het zien als iets dat nu eenmaal op je pad ligt – `het is zoals het is’ zeg je dan, met stoïcijns fatalisme.

Je kunt ook proberen het leed klein te lachen: terug in je hok! Zoek en zie de ironie van alweer een kilo peilloos liefdesverdriet, een venijnige splinter op een gevoelige plek of een pinpas, vergeten op de balie.

Gebruik ironie eens als schokdemper voor toekomstige rampspoed. `Ik rook drie pakjes per dag… zul je net zien dat ik overreden wordt door een bestelauto van de Priméra’. `Eindelijk eens een goede beoordeling van mijn baas gekregen… wedden dat ik over twee maanden alsnog wordt weggereorganiseerd?’ `Volgende week op skivakantie… zal morgen de dooi wel inzetten’.

Het mooie is dat al dat akeligs helemaal niet hoeft te gebeuren. Zo vorm je met die anticiperende ironie een voedingsbron van troost en vertrouwen voor de toekomst: dit alles is me toch maar mooi níet overkomen, boffer die ik ben. Er gaat misschien veel mis, maar er gaat ook onwaarschijnlijk veel juist góéd, in het verkeer, de keuken, met het afsteken van vuurwerk, kerncentrales, oude elektriciteitssnoeren, mijn eigen organen, ladders en riolen.

`Als je geen vertrouwen hebt, dan mis je iets groots in je leven’, zei een Italiaanse matrone nadat een aardbeving haar huis had verwoest. Ik heb die baan in Den Haag toen wel gekregen.

20170304

Drie bekende Utrechters

Sylvia Kristel

Utrecht een `groot dorp’, een benepen provinciestadje? In Amsterdam denkt men er graag zo over. Zij hebben Xaviera, happy hooker, plat en voos. Wij hebben Sylvia, voor altijd Emanuelle.

De frêle grande dame van de chique erotiek, icoon van de wufte, exhibitionistische en door en door decadente jaren ’70, gaf zich bloot met tragische blik, in een sluier van dromerige belichting en omfloerste violen. Daarachter de coke, de drank, het kettingroken. De tol van haar intense bestaan droeg ze waardig.

Na Sylvia werd Emanuelle nog veel vaker vertolkt door de veel minder bekende, maar zeker zo exotische Utrechtse Laura Gemser.

Anna van Schurman

Tot in de 10e eeuw betoogden theologen dat vrouwen geen ziel hadden. Tot Copernicus stond de aarde in het middelpunt van het heelal. Ook nu nog wordt aperte domheid gedoceerd, verdedigd en tot deugd verheven.

Anna moest heel wat tegenstand overwinnen, voordat zij in 1636 als eerste vrouw colleges mocht volgen aan onze universiteit, achter een gordijn, buiten het zicht van de mannelijke studenten. Een buitengewoon begaafde en veelzijdige vrouw.

`Sol iustitiae, illustra nos’, zon van de gerechtigheid, verlicht ons; verlicht ook de mensen die het gemunt hebben op meisjes als Malala Yousufzai, die door het hoofd werd geschoten omdat ze onderwijs wilde.

Karel Doorman

Wel vier schepen heeft onze marine genoemd naar deze schout-bij-nacht, het vierde in 2014. Schuldgevoel?

Feit is dat houwdegen-op-veilige-afstand admiraal Helfrich Karel Doorman preste om, tegen beter weten in, de Japanners in de Javazee aan te vallen. Deze deed dat met het commando `all ships – follow me’, heroïsch vertaald als `ik val aan, volg mij’. Doormans eskader werd vrijwel totaal vernietigd en hij ging – zoals het hoort – met zijn vlaggeschip ten onder. Utrecht eert ‘m met een laan, met uitzicht op de Berekuil.

Helfrich ging in 1949 met pensioen, schreef zijn memoires en overleefde Doorman met 20 jaar.

20170223

Train je schrijfspieren – een paar tips

Het was zo’n goed voornemen: elke week een blog schrijven, maar na een gloedvolle start is het je na een tijdje toch weer wat ontglipt. En nu staar je naar een leeg scherm en vraag je je af hoe dat ook alweer gaat, schrijven. Herken je dat?

`Creativiteit is een spier die verslapt als je ‘m niet gebruikt’ zei iemand me ooit eens. Dat klopt ook voor schrijven, en er bestaan meerdere spiergroepen. Je schrijft voor een publiek (mogelijke klanten, toevallige passanten, vrienden, klanten), in een vorm (column, tweet, liedtekst), met een doel (amuseren, informeren, overhalen). Allemaal facetten van het allround schrijverschap die je kunt trainen om fit te blijven.

Pak het weer eens op. Hier  zijn een paar tips voor  als je vastloopt.

Schrijf niet, maar spreek en neem jezelf op met je smartphone. Zo laat je je geest de vrije loop en geef je jezelf de ruimte om heel je onderwerp uit te diepen en te experimenteren. Luister jezelf terug en noteer de bruikbare gedachten.

WWWHW? Benader je onderwerp als een journalist en beantwoord alle vragen: wie, wat, waar, hoe en waarom? Dat levert soms een heel nieuw perspectief op.

Verander van perspectief. Verplaats je in de rol van een andere partij in je verhaal. Die kan je misschien een heel andere kant van de medaille laten zien.

Voor wie schrijf je ook al weer? Hoe zien die mensen eruit, wat doen ze, wat raakt ze? Spreek ze daarop aan, letterlijk: zet een foto neer van mensen die je publiek zouden kunnen zijn en praat tegen ze.

Zorg voor afwisseling. Dan weer een actuele, geestige tweet, dan weer een ernstige column van 400 woorden.

Doe het regelmatig, al is het maar een kwartier per dag. Dat kost wel discipline natuurlijk, maar je zult zien dat het je steeds gemakkelijker afgaat.

Leg jezelf een deadline op. Dat werkt voor mij vaak goed: `binnen een uur heb ik dit stukje af en telt het 300-400 woorden’. Meestal lukt dat, zoals nu. Als ik de tijd heb, leg ik de tekst weg en reviseer ik ‘m de volgende dag. Zo niet, reviseer dan direct, maar stel jezelf wel een nieuwe deadline. Onder druk wordt alles vloeibaar en de geest creatief.

20170216

Toch nog hoop voor Esperanto?

Arme Zamenhof. Met de beste bedoelingen stelde hij het Esperanto samen. Een kunstmatige taal, makkelijk te leren, regelmatig, de gedroomde overbrugging tussen volken, culturen. Nooit meer geworden dan een curieus stukje huisvlijt, gekoesterd door wereldvreemde idealisten.

Vreemd genoeg heeft het Engels het wél ver geschopt in de wereld, als voertaal van het British Empire, waar de zon nooit onderging. Moeilijk te leren, complexe werkwoordstijden, weerbarstige woordenschat. En hoe krijgen ze het voor elkaar om eenzelfde klank telkens anders te schrijven (use, juice, loose)? – Nogal lastig, is het niet? – Het is. Bij de weg, het regent katten en honden!

De verspreiding van het originele Engels heeft geleid tot tientallen lokale varianten, zoals bv. op Jamaica. Ontcijfer dit eens:
`Kaman yuusij rienj frahn Jumiekan hInglish to braad patwa wid bout chrii digrii a separieshan, aafn iina di wan piika siem wan kanvasieshan.’*

Misschien leiden alle wereldwijde contacten uiteindelijk wel tot één grote mengtaal, met lokale dialecten. Experts praten al over Panglish – een wereldwijde, simpele mengtaal op basis van het Engels. Komen we – of althans onze nakomelingen – langs natuurlijke weg misschien toch nog tot een soort Esperanto.

* `Common usage ranges from Jamaican English to broad patois with about three degrees of separation, often within a single speaker’s conversation.’ (www.omniglot.com)

20170208

B1, ERK en je publiek

Als je je boodschap aan een groot publiek wilt overbrengen, dan moet je helder en eenvoudig zijn. Daar is al een paar jaar een keurmerk voor: het Europees Referentiekader voor de Talen. Het omvat zes niveaus van taalvaardigheid, van heel laag (A1) tot heel hoog (C2).

B1 is het derde niveau en 70% van de bevolking stijgt daar niet bovenuit. Ter illustratie: stel je het taalniveau voor dat je in de Telegraaf aantreft. Taalbureaus ontwikkelen regels om B1 grijpbaar te maken, zoals `een zin mag maximaal 10-15 woorden bevatten’. Daar ontwikkelen ze software voor, die ook vaktaal en figuurlijk taalgebruik signaleert. Ze waarschuwen: als je site, folder, brief niet B1 is, dan is het verspilde moeite, weggegooid geld.

Is dat terecht? Ja en nee. In het algemeen moet je het je lezer niet moeilijker maken dan strikt noodzakelijk. In drie punten:

  • Gebruik geen vaktaal als dat niet nodig is.
  • Houd je zinnen kort.
  • Figuurlijk taalgebruik, dubbelzinnigheid, ironie: alleen als deze geen verwarring veroorzaken.

Maar de zes niveaus van het ERK zijn in boterzachte termen omschreven, zoals `Ik kan een klacht uiten, aannemen, doorgeven’ (B1). Ik denk dat dat op alle niveaus kan, van `dit werkt niet’ (A1?) tot `ik heb mij nog niet kunnen verblijden in een onberispelijk functioneren van onderhavig mechaniek’ (C2?).  Vraag is wat je zo meet: woordenschat en grammaticale correctheid of effectiviteit van de taaluiting?

`Alles moet B1′ is de gedachte. Daar ligt mijn tweede bezwaar: iemand die gewend is aan taalniveau C2 heeft er wellicht helemaal geen behoefte aan te worden aangesproken op B1-niveau. De boodschap komt mogelijk niet aan, omdat die persoon niet geprikkeld wordt om ‘m aan te nemen. Vandaar mijn vierde punt:

  • Houd rekening met je publiek.

Probeer zo veel mogelijk te weten te komen van je lezer en schrijf van daaruit verder. Schrijf je voor een C2-publiek, zet dan niet het B1-mes in je tekst. Schrijf je voor een zeer divers publiek, gebruik dan structuur om individuele lezers te helpen. Zet de belangrijkste mededeling vooraan in de alinea en verwijs gevorderde lezers snel door naar het volgende stukje informatie. Gebruik de rest van de alinea om de rest van je lezers verder te informeren.

En geef altijd een uitweg: een mailadres of telefoonnummer om extra informatie te vragen.

20170201

De ijsbergen van de communicatie

Er zijn mededelingen die maar een fractie tonen van de eigenlijke boodschap, zoals een ijsberg maar voor klein deel boven de waterspiegel uitsteekt:
`De intercity naar Maastricht van 10.53 vertrekt over twintig minuten.’
Wat de NS niet vertelt, is dat de trein daarmee ruim een kwartier vertraging heeft. Het lijkt net of ‘ie volgens de dienstregeling rijdt.

Liefdespartners verstoppen soms subtiel de eigenlijke boodschap:
-`Zou ik eigenlijk niet meer moeten sporten?’
-`Schat, ik hou van je zoals je bent’.

Een cynische lezing van deze dialoog zou zo kunnen luiden:
-`Wat ben ik vadsig. Ben ik nog wel aantrekkelijk voor je?’
-`Nee, maar ik ben je gewend en ik kan zelf toch ook niets beters meer krijgen.’

Reclamemakers en politici spelen graag met deze ijsbergen van de communicatie. Ze spelen in op behoeften en gevoelens van de consument, zonder deze expliciet te benoemen:
`U wilt toch ook het beste voor uw kind?’
`Henk en Ingrid betalen voor Ali en Fatima’*

Zoek de boodschap-onder-de-boodschap en waan je kapitein op een poolschip.

20170118 (* uit een PVV verkiezingsprogramma)

Gratis

Eén gratis gadget in elke verpakking!

Waar denk je dat ‘ie vandaan komt, jouw gratis gadget? Wie bracht ‘m bij jou in de buurtsuper? Wie reed de truck waarin het vervoerd werd? Wie tankte ‘m vol? Wie waste de truck voordat ‘ie de weg opging? Wie distribueerde, verscheepte, jouw gadget? Gratis.

Wie heeft ‘m ontworpen en in elkaar gezet? In opdracht van welk reclameteam, dat werkt voor welke fabrikant? Wie schreef en vertaalde de veiligheidsvoorschriften? Wie, denk je, betaalt uiteindelijk voor je gadget – Eén gratis in elke verpakking?

Niets is gratis, ooit, behalve de kaas in de val. Er zijn – als je ergens`gratis’ leest – maar twee vragen belangrijk: wie wil er aan verdienen en wie wil ervoor betalen?

Dit stukje is natuurlijk vooral bedoeld om traffic te genereren. Het volgende zou weleens over seks kunnen gaan. U kunt het gratis lezen.

20170114

Dief van je eigen portemonnee

`Je bent een dief van je eigen portemonnee als je deze aanbieding laat liggen.’ Deze oubollige, maar effectieve drogreden kennen we van de markt. Van wie steel je? Van jezelf. Bij wie komt de buit terecht? Bij diezelfde talige schizofreen dus.

`Volgens mij…’ Ook zo’n rare taaltruuk: je voert jezelf op om je eigen gelijk te halen. `Volgens mij heb ik jou helemaal geen 100 euro geleend’. Je weet precies wie die `mij’ is, maar doet net of je neus bloedt. Eigenaardige uitdrukking trouwens, die bloedende neus, maar daarover een andere keer.

Taal kan een spiegelpaleis zijn, waarin je makkelijk verdwaalt.

20170109

Oké

`Vandaag scheurde ik uit mijn broek, kookte de melk over en is de kat doodgegaan!’
– ‘Okeeeeej…’

In Taal is zeg maar echt mijn ding verwondert Pauline Cornelisse zich over dat harteloze `oké’, dat als een stoomwals over het geschetste drama dendert. Ten onrechte, denk ik: in dat ene woordje, in deze context ontzet gefluisterd, zegt het: `jouw relaas heeft me diep geraakt’.

In minder schokkende omstandigheden is `oké’ een simpele, neutrale bevestiging en dat leidt ons meteen naar de simpele verklaring: OK is het computercommando waarmee je een mededeling bevestigt of een vraag beantwoordt.

Imiteren mensen steeds meer de zwart-wit communicatie van computers of tuigen ze  deze juist nonverbaal op met intonatie, mimiek en gebaren, zodat deze in alle mogelijke sociale contexten te gebruiken is? En omgekeerd: komt er een moment dat een computer ons `oké’ kan horen en interpreteren. Komt er een moment dat de computer als een mens op ons kan reageren?

– `Wilt u deze pagina écht verlaten?’
– [onwillig] `okeeeej…’
– `Nou, van míj hoeft het niet, hoor!’

20170103

Wie ben ik?

Wie ben ik? Ik noem me Roeland. Iedereen die Nederlandstalig is, noemt me Roeland. Maar die e is lang, lang geleden achter de o gezet om aan te geven dat je een korte klinker verlengt. Je ziet dat in middeleeuwse namen als Maerlant (aa) en Blancefloer (oo). Fijn en leuk om te weten als je een gruwelijk kantoorgebouw als Janssoenborch in moet. Je ziet het verschijnsel nog steeds, ook in modern Nederlands: de e achter de i, niet?

De i zelf heeft ook zo’n klinkerverlengende functie (gehad): oirbaar, Goirle. De Taaladviesdienst van de Nederlandse Taalunie schrijft voor dat we deze oi’s uitspreken als [oo]. Maar de dienst zegt niets over mijn oe!

Eigenlijk heet ik dus R[oo]land, maar is mijn naam kennelijk ontsnapt aan spellingshervorming. Dat zint me wel: een beetje stoer en eigenzinnig. Mooie manier om me te associëren met die legendarische Frankische ridder die met zijn laatste krachten op zijn Oeliefant blies.

20161227