De volgende groene golf

Wat barstte er in 1995 een gekrakeel los over de nieuwe officiële spelling. De pannenkoek en het hondenhok joegen taalliefhebbers de barricaden op. Verfijnde regels leidden tot re-integratie naast reïncarnatie en tot onlogische woordbeelden als would-beschrijver. Appèl verloor het accent dat het onderscheidde van appel. En zo voorts enzoverder. De groene golf legde iedereen aan de spellingchecker.

Natuurlijk waren de spellinghervormers erop uit* om het volk te dienen met een eenvoudige, consequente en heldere spelling. Maar wás die nieuwe officiële spelling maar consequent… In mijn Groene Boekje uit 2005 noteerde ik wat vermakelijke tegenstrijdigheden. Eens kijken hoe die anno nu vermeld staan in het online Groene Boekje: woordenlijst.org.

  • terzelfder tijd, maar te zijner tijd en tegelijkertijd
  • halfopen, maar wijd open
  • blindedarm, maar dunne/dikke darm
  • klemrijden/klemzetten, maar klem zitten en zich klem zuipen/vreten
  • tegemoetkomen, maar tegemoet treden
  • terneerliggen, maar terneer zitten
  • tewerkstellen, maar te werk gaan
  • Semiet, maar antisemiet
  • Nederduits, maar Neder-Duitser
  • samenzijn, maar anders-zijn

Jammer genoeg zoekt de welwillende taalgebruiker vergeefs naar de spelling van woorden als:

  • body mass index (wel: bodybagsyndroom en hufterindex)
  • Staatscourant/Staatsblad (wel staats… en Bijbel/bijbel)
  • hatsjoe (wel: hatsjie)
  • pentagon/pentagoon (wel: Pentagon)

Wel opgenomen zijn hilarisch onbestaanbare meervouden en vergrotende/overtreffende trappen:

  • EU-erkenningen, evoluties, prinzipienreitereien
  • Sovjet-Russischere, gragere, absolutere

Anno 2019 is de officiële spelling geen reden meer om de barricaden op te gaan; de tegengeluiden zijn gaandeweg verstomd. Het wachten is op de volgende generatie bevlogen haarklovers die het beter menen te weten dan hun voorgangers. Ik heb nog wel wat tips voor ze;)

20190926

* Niet te verwarren met `eropuit zijn’; dat betekent iets volkomen anders, zoek maar op!

Uitgeluld

Ben ik uitgeluld over taal, dat ik al zo lang niet heb geblogd? Nee hoor, in de tussentijd heb ik veel geschreven, waaronder een libretto (daarover later meer).

Veel mensen zullen voetstoots aannemen dat het werkwoord `lullen’ wel iets met het mannelijk deel te maken zal hebben*. Niet dus: in de Middeleeuwen werd er al geluld tegen God, in gebed, en tegen kleine kinderen, zachtjes neuriënd, om ze in slaap te krijgen (denk aan het Engelse lullaby: wiegeliedje).

Lullen heeft sindsdien een negatieve bijklank gekregen. Het staat voor onzinnig (uit je nek lullen), doelloos (lullen of poetsen), leugenachtig (links lullen, rechts vullen) en zelfs verraderlijk (hij heeft tegen de politie geluld). Wil je ferm, doortastend en recht door zee overkomen, dan wijs je het beslist af (geen gelul, gebak van Krul!). In nette kringen gebruik je het woord niet, lullen. Prima om te kletsen, zwetsen, belazeren of verlinken, maar de gulp komt niet eens associatief in zicht.

Toch lijkt er ook een aspect van kracht aan het lullen te zitten. Zolang je nog kunt praten, tel je nog mee. Wil je als mindere debater iemand overtroeven, dan snoer je hem/haar luidkeels de mond door smalend `uitgeluld!’, of `uit positie geluld!’ (U.P.G.) dwars door jouw legitieme, afgewogen betoog te blèren. Dat gebeurde althans op míjn schoolplein.

En als we dan toch associatief bezig zijn: je danst wel of niet naar HET pijpen van iemand. Nog een stukje afgerangeerd Nederlands waar nu besmuikt om gegrinnikt wordt. `Pijpen’ betekende ooit gewoon `fluitspelen’. Het gaat dus niet om broekspijpen en al helemaal niet om (o guttegut) fellatio. Denk aan orgelpijpen, denk aan de Engelse bagpipes, of de  pipes of peace van Sir P. McCartney.

Zo onhandig als we omgaan met schijnbaar beladen begrippen als `lul’ en `pijpen’, zo makkelijk gaan we om met écht minachtende woorden als `kut’. Kort geleden hoorde ik iemand het woord routineus inzetten tegen zijn tienerdochter, die iets kwijt was. Ze schrok er niet bepaald van. Het lijkt zelfs normaal, ook voor stoerdoenerige, hoogopgeleide vrouwen, om terloops via de eigen vleeswaren te reflecteren op hun onvrede, teleurstelling, boosheid. `De yogales was vol, best wel kut’.

Mag iedereen allemaal helemaal zelf weten, natuurlijk – `de nieuwe tijd, net wat u zegt’ – maar het geeft mij het gevoel alsof ik weer terug ben op het schoolplein, waar het er uiteindelijk alleen maar om draait wie de grootste (mond) heeft.

* Dat neem ik althans voetstoots aan.

20190810

Samuel Johnson

De lexicografische pionier Samuel Johnson schreef met enkele assistenten in negen jaar de monumentale `Dictionary of the English language’ (1755) bij elkaar. Twee volumineuze banden, doorspekt met citaten van o.a. Shakespeare, Spenser, Milton.

Als belezen zoon van een boekhandelaar met een scherpe geest nam hij zijn taak zeer serieus, maar kon toch af en toe zijn vileine humor – en mogelijke Gilles de la Tourette – niet onderdrukken: haver omschreef hij als `a grain, which in England is generally given to horses, but in Scotland supports the people’. Zijn eigen werk omschreef hij als dat van een `harmless drudge’, een ongevaarlijke werkezel. Zijn voorbeeldzin bij `dull’ is veelzeggend: `to make dictionaries is dull work.’

Hij voerde zijn kat oesters, dronk zelf exorbitante hoeveelheden thee (en alcohol), at gulzig en onstuimig. Even intens las en werkte hij. In de 9 jaar dat hij aan zijn woordenboek werkte, vloog meermaals zijn pruik (bijna) in brand: slechte ogen en een kaars om bij te lezen. Hij verzamelde sinaasappelschillen, misschien voor een (zelfbedacht?) geneesmiddel. Toen zijn biograaf, James Boswell*, hem daarover uitvroeg, kapte Johnson hem af: `Nay, Sir, you shall know their fate no further’.

Vergeleken met hem ben ik drie dagen per week een brave, mussige Prisma-redacteur… `or… ám I?’

*) Lees vrolijk verder.

20190207

Jij ook steeds!

Hebben mensen hardnekkig ruzie, dan vervallen ze vroeg of laat in categorische bepalingen:
– Het hele huishouden komt op mijn schouders. Ik moet altijd alles alleen opknappen!
– Ga toch weg! Jij brengt nóóit de kinderen naar zwemles en ík moet zorgen dat jij nooit zonder rosé komt te zitten!

Helemaal, steevast, daar kun je donder op zeggen en de klok gelijk op zetten. Geen spaander, sodemieter, van geen kant en in geen 1000 jaar. Met deze spraakversterkers is het eigen gelijk tweevoudig oorverdovend en met een beetje pech blijft het nog lang en nodeloos bonje.

Een fijne spraakversterker is ook `steeds’. Het betekent hetzelfde als `altijd’, maar er is toch een subtiel verschil. Vergelijk deze twee eens:
– Politici moeten vaker jip-en-janneketaal gebruiken.
– Politici moeten steeds vaker jip-en-janneketaal gebruiken.
In de eerste zin hoor je de mening van de spreker: het is gewenst dat politici zich eenvoudiger uiten. Met `steeds’ ertussen klinkt de zin ineens een stuk objectiever: het is een constatering dat jip-en-janneketaal domweg noodzakelijker is geworden.

Staat er na `steeds’ een comparatief (langer, meer, liever), dan verliest het dus zijn kriegelige, tegendraadse karakter. Dat lukt je nooit met `altijd’. `Steeds’ biedt ook meer ruimte op het emotionele palet:
– Jij ook met je complottheorieën.
– Jij ook steeds met je complottheorieën.
Hoor ik in de tweede zin ernstige irritatie of berusting, misschien zelfs vertedering?

Gebruik dus liever wat vaker `steeds’ bij het bekvechten, zelfs als je stiekem `altijd’ bedoelt. Grote kans dat de ruzie sneller beslecht is, als tenminste die ander ook…

20181017

Maitresse zoekt onderdak in Nederland

Soms, als mijn ogen langs woorden glijden, is het net alsof ineens de mist optrekt. Dan ontdek ik iets dat er allang was en volstrekt natuurlijk, maar toch… Ooit, bij het openen van een fles Château Des Roques zag ik ineens in dat het dakje boven de a, de accent circonflexe, staat voor een s. En daarmee komt `chasteau’ ineens heel dicht bij het Nederlandse `kasteel’.

Als je dat trucje eenmaal doorhebt… `We fêteerden Pierre aan de Côte d’Azur met een heerlijke compôte, maar die viel verkeerd en toen zijn we maar even naar het hôpital gegaan’. Ik had Pierre ook een `maîtresse’ kunnen toebedelen, een meesteres.

Maar met de circonflexe is iets aan de hand. De Académie française, hoeder van de Franse taal, besloot al in 1990 dat veel accenten de spelling onnodig ingewikkeld maken. De geleerden verklaarden in 2008 het dakje boven de i en de u officieel overbodig en verwachtten dat het in de loop van de tijd wel gaat verdwijnen. Er was nog een kort protest toen in 2016 de educatieve uitgevers het onnodige dakje in de ban deden, #JeSuisCirconflexe, maar dat verstomde vrij snel. Gevalletje `laisser-faire’, denk ik.

Opmerkelijk genoeg heeft de Nederlandse maîtresse haar dakje behouden. De Taalunie, de Nederlandstalige Académie française, meent eigenwijs: `Woorden die als ingeburgerd beschouwd worden in onze taal hoeven niet meer te voldoen aan de regels van hun land van herkomst. Het zijn immers echte Nederlandse woorden geworden, die (moeten) voldoen aan de regels van het Nederlands.’ * Waar de Franse maitresse dus dakloos is geworden, kan de Nederlandse voorlopig nog schuilen. Tot wij ons op een dag realiseren dat ook in het Nederlands dat accent overbodig is, bij een volgende spellinghervorming.

Doet me denken aan wat Heinrich Heine zei: `Als de wereld vergaat, ga ik naar Nederland. Want daar gebeurt altijd alles vijftig jaar later.’

20180916

* https://taaluniebericht.org/artikel/spelbreker/je-suis-circonflexe

Hoe mag ik jou noemen, vandaag?

Woorden slijten, termen vergaan,
Maar jij bent een … en dat staat bovenaan!

Werd vroeger iemand voor gek verklaard, later werd deze aanduiding ingeruild voor of aangevuld met een reeks aan steeds verzachtender termen. Nu heb je een `verstandelijke beperking’, hoewel ook die omschrijving alweer ter discussie staat. En als je nu in het openbaar `verward’ wordt genoemd, dan betekent dat eerder dat je op een snelweg rondrent met een semiautomatisch wapen dan dat je even je sleutels kwijt bent.

Willen we de goed met elkaar overweg kunnen, dan kunnen we maar beter termen gebruiken waar we ons allemaal goed bij voelen. En blijven voelen. dus daar maken we al dan niet stilzwijgend afspraken over. `Knecht’ ging wat ongemakkelijk klinken, dus toen werd het `bediende’. Daarna maakten we er `ondergeschikte’ van, vervolgens `employé’, daarna `werknemer’. Wie zich vroeger `baas’ liet noemen, ging `meerdere’ heten, daarna `chef’, toen `hoofd’ en anno nu `werkgever’ of `leidinggevende’. Dat klinkt tenminste heel wat guller.

Het is moeilijk bij te houden. Voor je het weet, gebruik je een term die als stigmatiserend of beledigend wordt ervaren. En als je het een beetje gezellig wil houden, kun je die maar beter snel vervangen door een nieuwe. Zo werd de term `gastarbeider’ vervangen door `allochtoon’ (al dan niet niet-westers), daarna door het vriendelijke `medelander’. Nu is de onhandig lange aanduiding `persoon met een migratie-achtergrond’: de definitie heeft de plaats ingenomen van de term.

Lastige materie… Iemand met een donkere huid kunnen we echt niet meer `neger’ noemen, maar hoe dan wel? Kleurling, zwarte, persoon met een donkere huidskleur? Mensen die we betitelden als `indianen’ heten nu `Oorspronkelijke Amerikanen’, maar dat verandert wellicht als men zich realiseert dat de naam `Amerika’ verzonnen is door kolonisten…

Daar zit een deel van de angel: noemt de ander jou zo of jij jouzelf? Behoor je tot een groep met een beladen naam, dan kun je die trots hergebruiken, zoals de geuzen in de 16e eeuw al deden. `Schooiers? Pfff, wij schooiers zullen die Spanjolen eens mores leren!’ Als je als zwarte rapper serieus genomen wilt worden, doorspek je je teksten met `nigger’. En je mag iemand best `flikker’ noemen, maar dan is het wel belangrijk dat je zelf óók homoseksueel bent.

De aanduiding verandert, niet de persoon of de groep die ermee aangeduid worden. En ook niet het achterliggende oordeel van degene die de term gebruikt. Iets om te onthouden.

20180230

Rijk, wervelend en virtuoos: Rushdies `The Golden House’

`The Golden House’, de dertiende roman van Salman Rushdie, is een toverlantaarn en kijkdoos ineen, waarin feiten, fake news, fabelarij en mythicisme beurtelings een loopje met ons nemen. Een overdaad aan verwijzingen (popcultuur, cinema, literatuur, politiek) doorspekken het al zo bomvolle verhaal, waarachter een onnoemelijk duister verleden, intriges, geld en drugs de motor zijn.

New York, de dag van Obama’s inauguratie; Nero Golden en zijn drie zoons betrekken een villa in een luxe wooncomplex met grote binnentuin. Ze hebben alle sporen van hun vorige levens uitgewist en beginnen met een schone lei in Amerika. De jonge hoofdpersoon, René, raakt steeds meer in de ban van zijn excentrieke buren, die worstelen met autisme, creativiteit en gender. Hij besluit een film over ze te maken, een `mockumentary’, maar als een embedded oorlogsjournalist wordt hij gaandeweg deelgenoot van hun verhaal.

René vertelt als een bevlogen chroniquer, een bombastische ziener, soms een drammerige zeepkistredenaar. Hij weidt filosofisch en associatief uit over identiteit, moraal (hoe goed kan een slecht mens zijn?), kunst en politiek. Russische sprookjes, Occupy, Romeinse geschiedenis, Paul Simon, Indiase mythologie, IS: een wijde blik op een vooral grimmige, onveilige wereld.

Nero Golden kan zijn vorige leven – laundryman voor een Indiase mafiabaas – niet ontlopen. Hij en zijn zoons halen de laatste pagina niet. Geen spoiler, want de verteller zelf spreekt al op pagina 1 over een `large – and, metaphorically speaking, apocalyptic – fire’ aan het einde van het verhaal, dat samenvalt met het eind van Obama’s presidentschap.

Daar krijgt Trump, vermomd als de filmschurk The Joker, ervan langs. `His hair green and luminous with triumph, his skin white as a Klansmans hood, his lips dripping anonymous blood’. Daar horen we Rushdie zelf het luidst: cynisch en woest, over de 60 miljoen Amerikanen die op hem stemden, maar vooral over de 90 miljoen Amerikanen die niet eens de moeite namen om te stemmen.

Dit boek is in 3D Technicolor® geschreven, rijk, wervelend en virtuoos. Rushdies woordspelige magisch-realisme spat van de pagina’s af. Elk personage, hoe marginaal ook, is larger than life, elke dialoog druipt, elk detail siddert. Maar telkens als onze aandacht onder alle urgentie zou kunnen bezwijken, dan hint de schrijver stevig vooruit naar de dramatische ontwikkelingen die ons nog te wachten staan, als een TelSell-verkoper: `Maar wacht! Er is méér!’ En dan volgt er, inderdaad, nóg meer.

Salman Rushdie, `The Golden House’, Penguin 2017, 370 pp.

20180715

een roelandje doen

Leuk nieuw taaldingetje: je kent iemand met een grappig loopje, of een maniertje of trekje. Het valt niet alleen jou op, maar ook je collega’s of vriendengroep, studie- of kroeggenoten. En dan doe je het ineens zélf, per ongeluk: je blijft wachten bovenaan de trap, totdat je tegenligger voorbij is. En die vraagt, verrast: `Hee, doe je een marloesje?’.

Een marloesje doen… De formule werkt alleen met een eigennaam die ook verkleind goed bekt; een daphnetje of waylonnetje doe je niet zo snel. Het kan ook met opzet. Doe eens een brammetje: maak een selfie in een verder lege treincoupé, net als de Groningse conducteur Bram Agema. Iets lastiger in de Randstad, dat wel.

Van het internet geplukt:
> een kareltje doen (met de ogen dicht achter je bureau zitten nadenken… of doen alsof)
> een wilmaatje doen (lopend naar je hardlooptraining gaan)
> een bartje doen (een schot voor open doel glansrijk missen)
> een jantje doen (een overdreven ambitieuze wielerprestatie neerzetten)
> een kimmetje doen (je ergens ongefilterd over uitspreken en dan onhandig mislukken in het herstellen van de schade)

Dit zijn vooral positieve, vertederde. Reaguurders bedienen zich juist veel van het stijlbloempje om zich snierend en honend te beklagen over politici en andere openbare figuren. Nog mild: een obamaatje doen (overdreven positief inzetten: yes we cán!).

Zoek deze zelf maar, op Fok en GeenStijl. Ik krijg al tegenzin van de tekst bij hun cookiewalls en ga even een roelandje doen (binnen 10 minuten een lekkere, gezonde maaltijd voor mezelf klaarmaken, met couscous, courgette en nepvlees – yes I cán!)

20180611

Schelden om de lieve vrede

Het is een ondergewaardeerde kunst: iemand diep beledigen. Het vereist inlevingsvermogen en welsprekendheid. Kun je je verplaatsen in de te beledigen persoon, dan weet je wat hem of haar het meest dierbaar is, welke taboes daar op rusten en hoe je die het radicaalst kunt overtreden. In de ene cultuur zijn ziektes een geschikt scheldthema, in de andere seks, stoelgang of `jouw moeder’.

Toegegeven, een belediging is natuurlijk altijd een daad van agressie, de jammerlijke opening van een conflict, maar als verbale uitlaatklep helpt het soms juist om erger te voorkomen. In de huiselijke kring, op het schoolplein en bij voetbalwedstrijden lucht menigeen het hart door eens lekker fel van leer en alle registers open te trekken.

Schelden kan zelfs levensreddend zijn: in Mali woedt al sinds de dertiende eeuw een chronische oorlog tussen de Traoré en de Koné*. Was het conflict met wapens uitgevochten, dan had inmiddels een aanzienlijk aantal mensen in het woestijnzand gebeten, maar wijze mensen hebben bijtijds een nogal zoutarm alternatief gevonden.

Lopen de spanningen op, dan opent een lid van één van de partijen de verbale aanval op een tegenstander: `Hee, jij, je bent een boneneter’. De tegenstander, ook niet voor een kleintje vervaard, revancheert zich op een ander lid van de vijandelijke stam met een al even hatelijk: `Boneneter!’ Die zoekt een nieuwe kandidaat uit om als boneneter weg te zetten en zo verder. Behoefte aan variatie of creativiteit is er niet echt: het is al erg genoeg om iemand ervan te betichten dat hij graag bonen eet.  Dus zo schimpt men wat heen en weer tot iedereen wel zo’n beetje aan de beurt is geweest, of totdat het donker wordt (stel ik me zo voor) of men het gewoon een beetje beu is.

Een oude, zouteloze schoolpleinwaarheid in topvorm: schelden doet geen pijn. Hopelijk kunnen ook bepaalde $!&(#@#(*%@(*&#@$^* wereldleiders zich ertoe beperken.

20180518

* bron: de geestige, maar ook hoogst betrouwbare BBC-quiz QI, afl. `Jolly’.

a lot of fried air

Thierry Baudet werd weggehoond toen hij wijsneuzig een toespraak begon met een Latijns citaat. Maar was hij in het Engels begonnen, dan had er geen haan naar gekraaid.

Stel dat wij onze taal wat minder als een spons zouden gebruiken voor het Engels, dan zouden er toch aardige nieuwe woorden zijn ontstaan, afgelopen jaren. Vertaal eens een paar ingeburgerde leenwoorden in het Nederlands, gewoon voor de fun. Een airfryer wordt dan een `luchtbakker’, cool en chill worden `kil’, funshoppen, what the fuck…?!

Flauw spelletje natuurlijk (`zelfjestok’), maar je prikt er wel een beetje mee door een ballon. Met name in kringen van bedrijfsleiders (het management) zijn Engelse termen vaak de nieuwe kleren van de keizer. Business development unit, whitepaper, challenge, tools en natuurlijk de meeting. Het is dweilen met de kraan open. Voor elk goed gevonden weerwoord op een indringer in ons taalgebied vinden marketeers en tech nerds tien nieuwe termen uit die door ons omarmd* worden.

Ook universiteiten en bedrijfsleven heiligen het Engels met soms hilarische gevolgen. Hoe kom je erop om je bibliotheek om te dopen tot Leiden University Library, kortweg …? Gaat het om status? Hullen we ons in wollige terminologie om te compenseren voor ons gebrek aan autoriteit, als sprekers van een kleine taal?

Nee, dan het Vaticaan, waar het Latijn nog de leidende taal is voor boodschappen aan de Stad en de Wereld (Urbi et Orbi). Nog altijd bedenken ze daar nieuwe woorden en omschrijvingen om hedendaagse begrippen aan te duiden. Deze laten zich lezen als toverspreuken van Harry Potter:

> instrumentum computatórium (computer)
> foetoris delumentum (deodorant)
> brevíssimae bracae femíneae (hotpants)
> iazensis música (jazz)

De omgekeerde beweging dus: halsstarrig vreemdtalige invloeden weren om het eigen idioom zuiver te houden. Zelfde vraag: gaat het om status? Hullen zij zich in wollige terminologie omwille van autoriteit, als superieure klasse sprekers van een kleine, zij het verder morsdode taal?

Dus, houd je vast aan Nederlands terwijl iedereen om je heen het doorspekt met Engels, dan kun je je eerstvolgende assessment niet rustig onder ogen zien. Daarentegen, zou je in het Vaticaan een lans breken voor een levende taal om levende mensen te benaderen, dan kun je een baan als pontifex maximus (paus) wel op je buik schrijven. In beide gevallen geldt: als je niet mee gaat met je omgeving, als je je onttrekt aan het heersende taalpolitieke klimaat, kom je buitenspel te staan.

Met taal kun je mensen in- of buitensluiten. Iets dat telkens weer blijkt, bijvoorbeeld als je een oostelijk of noordelijke tongval spreekt in de Randstad, of als je als Nederlander-met-een-migratieachtergrond een brief ontvangt van de gemeente (althans wel in Utrecht). Als je als Kamerlid pedant een rede opent met een Latijns citaat, of als je `praktisch geschoold’ bent in plaats van theoretisch, hoe inclusief GroenLinks hiermee ook mensen wil aanduiden die we vroeger als `laag opgeleid’ stigmatiseerden. Maar daarover een andere keer…

20180412

* Een jong anglicisme; een ander voorbeeld van sluip-Engels is bijvoorbeeld `maken’ dat in steeds meer Nederlandse woordgroepen het oorspronkelijke werkwoord verdringt: `een beslissing maken’.

Prachtig: nieuwe Prisma woordenboeken

Schrijven is een kwestie van oefenen, een creatieve spier die je moet trainen. Doe het regelmatig en het gaat je steeds makkelijker af. Dat was het onderwerp van een van mijn eerste blogs en nu ervaar ik het aan den lijve. Afgelopen maanden had ik tijd noch rust om blogs te schrijven. Mijn schrijfspier is dus behoorlijk verslapt, maar het was het waard…

Want deze weken wordt het Centraal Boekhuis gevuld met honderdduizenden nieuwe Prisma woordenboeken, vers van de pers en met een prachtige nieuwe typografie: twee nieuwe lettertypes, meer ruimte en een veel helderder structuur. Het was een flinke klus die in vier maanden geklaard moest worden.

Samen met docenten, vakgenoten en middelbarescholieren kozen we voor het ontwerp van Bas Jacobs (Underware) dat regelmaat en ruimte ademt. De pagina’s ogen rustiger en de nieuwe letters zijn ook in het klein goed leesbaar. We gebruiken nu zo min mogelijk haakjes (recht, geknikt of rond) zodat de lopende tekst makkelijker doorleest. De belangrijkste informatie is sneller herkenbaar door zwaardere letters. En alle grammatica is blauw gezet.

Die nieuwe typografie was hard nodig. Het zoeken in een gedrukt naslagwerk is geen gesneden koek meer, zeker niet voor middelbarescholieren, de voornaamste gebruikers. Ze zijn simpelweg niet meer gewend aan al die afkortingen en conventies, aan de dichtheid van informatie. Op hun schermpjes hebben de apps alle ruimte om – tussen de reclame door – een zee van informatie te geven, al dan niet gecheckt op betrouwbaarheid en bruikbaarheid.

Het was dus zaak om maximaal helder te zijn, en dat zou ruimte vragen. En rap ook: begin april moest de hele nieuwe editie in de winkel liggen. Nu was de hele redactie al bezig om in alle delen – Nederlands, Duits, Engels, Frans, Italiaans en Spaans – nog eens met de stofzuiger door de inhoud te gaan. Maar het was al oktober! Het tempo werd dus opgevoerd: in korte tijd schrapten de bewerkers flink wat verouderde en infrequente woorden. Ook dat is helderderheid, door de bomen het bos weer kunnen zien.

De ruimte die we wonnen, bood ons de kans om de nieuwe typografie volledig tot zijn recht te laten komen. We konden zelfs het aantal regels per kolom terugbrengen van 66 naar 61: een verademing.

 

Een stukje uit de nieuwe Prisma Nederlands

Behalve het schrappen en de nieuwe typografie was het ook zaak om honderdend neologismen, zoals netflixen, toe te voegen, met verklaring en/of vertaling, om de gebruiksaanwijzingen en nawerken aan te passen én de omslagen in lijn te brengen met het binnenwerk. In diezelfde vier maanden: eind februari moest alles bij de drukker zijn. Het kost immers domweg een dikke maand om honderdduizenden boeken te drukken…

Het was een fikse klus, maar straks liggen ze klaar, eerst op de bureaus van veel eindexamenkandidaten. In de zomer zullen tienduizenden aanstaande brugpiepers ze aanschaffen – en de jaren daarna hopelijk vaak gebruiken. Vinden ze snel wat ze zoeken, dan is de missie pas echt geslaagd. Ik ben dan zelf alweer met volgende projecten bezig, zoals het trainen van mijn schrijfspier.

20180329

Vondel, dt-fouten en de Smurfenregel

In mijn vorige blog had ik het over de bekende, hardnekkige dt-fouten die Vondel nog niet maakte. Onderzoekster Lien van Abbeneyen wijt deze aan ons krachtige geheugen voor woordbeelden. Dat geheugen kent word en wordt beide als correcte vormen, net als gebeurt en gebeurd en haalt ze vervolgens hopeloos door elkaar*. Laten we daarom nog even de Smurfenregel aanhalen: een ezelsbruggetje waarmee je veel fouten kunt voorkomen.

Hoor je een t-klank aan het eind van het werkwoord, vervang dat werkwoord dan door smurfen:
# Het weer word[t] beter. >> Het weer smurft beter.
Hoor je een t achter smurf, dan schrijf je ‘m ook achter word. Hoor je die niet, dan schrijf je ‘m er dus ook niet achter:
# Zij smurft morgen 61 jaar. >> Zij wordt morgen 61 jaar.
# Ik smurf morgen 21 jaar. >> Ik word volgende maand 21 jaar.
Smurft deze regel ook in de vragende vorm?  Wat smurf je zelf? Ja dus.

Helaas werkt de Smurfenregel alleen bij de tegenwoordige tijd, niet bij voltooid deelwoorden:
# Met schaatsen zit ik aan de tv gekluisterd. >> gesmurft
Niet gekluisterdt dus…

Overigens heb ik niet zo veel met Smurfen. Ze hebben een armoedige taal met maar één werkwoord. Ze staan voor een gesloten, uniforme gemeenschap met een sterke leider en weinig gevoel voor humor (de Lolsmurf krijgt bitter weinig lachjes los). Wilders vertelde ooit in het Jeugdjournaal dat het zijn favoriete strip is. Gelukkig kan die hele Smurfenregel prima overboord, door in plaats van smurfen een ander werkwoord te gebruiken waarvan de stam op een klank eindigt die voor komt in ‘t kofschip, zoals werken:
# Zij werkt morgen 61 jaar. >> Zij wordt morgen 61 jaar.

Of maak ik het nu weer verwarrend?

20180102

* We hebben ook moeite met gelijke klanken die verschillend worden geschreven. Denk maar aan een `brei van gegevens’ en `een druk leven lijden’.

 

Nog meer fout Nederlands, of niet?

Taal verandert, schreef ik al eens in mijn postje Fout Nederlands… Wie bepaald dat? Voortdurend ontstaan nieuwe woorden, uitdrukkingen, waarvan de meeste in korte tijd weer in vergetelheid raken. Ook de regels en normen die we officieel vastleggen in grammatica’s en in ons eigen hoofd zijn minder in beton gegoten dan we misschien denken. Ons gezamenlijke, min of meer gedeelde taalgevoel is bezig aan een eeuwige wandeling door het Park van de Onbegrensde Talige Mogelijkheden en blijft zelden lang ergens hangen.

Geen enkele reden dus om uit te sluiten dat dit misschien ooit een volkomen aanvaardbare zin wordt:

Het meisje, die zit te snapchatten, beseft zich niet dat er een ongeluk gebeurd, ondanks dat ze met haar neus letterlijk bovenop de dodelijke slachtoffers zit.

Pak het rode potlood er maar bij:

  1. het meisje, die > het meisje, dat
  2. beseft zich > realiseert zich of beseft
  3. ondanks dat > ondanks het feit dat of hoewel
  4. letterlijk > figuurlijk
  5. dodelijke slachtoffers > dode slachtoffers

Nummer 1, 2 en 3 zijn weliswaar omstreden, maar staan hoog in de top 10 van meestgemaakte taalfouten. Geef ze nog net wat meer massa en voor je het weet zijn de woordenboeken en grammatica’s op deze punten bijgewerkt en weer helemaal in lijn met de taalrealiteit.

Wat betreft letterlijk: Ik heb al uit meerdere taalkundig hoog opgeleide hoeken gehoord dat je het prima in versterkende zin kunt gebruiken – zelfs als het daarmee juist de tegenovergestelde betekenis krijgt. Ik krijg er vooralsnog letterlijk een rode waas van voor mijn ogen…

Dodelijke slachtoffers? Mijn hoongelach als deze term weer eens valt bij het achtuurjournaal blijkt hol en ongepast. De Taalunie beschouwt het als een `bijzondere betekenisverhouding’ tussen bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord, een ingedikte vorm van `slachtoffers als gevolg van een dodelijke gebeurtenis’, zoals je ook luie stoel hebt, staande receptie en lopend buffet. Hier botst dus mijn persoonlijke taalregel met de officiële, ook dát nog.

U had natuurlijk niet over gebeurd heengelezen. Ook de vermaledijde dt-beregeling biedt een mooi voorbeeld van de betrekkelijkheid van taalregels en hun houdbaarheid. Of zouden wij onze Prins der Dichters Vondel durven verdenken van een dt-fout?

[…] niets is ‘er schadelijcker als eige liefde, die fraeye vernuften verblint, en onderhout.

Joost mag het weten: laten we ons niet blindstaren op de door onszelf opgelegde taalregels. Ze dienen althans een hoger doel: communicatie, onderling en wederzijds begrip, harmonie, vrede. Het is tenslotte bijna Kerstmis ook. Toch hoop ik dat het aantal `dodelijke slachtoffers’ volgend jaar letterlijk gedaalt is tot nul.

20171214

lijstjes

Het is december, dus tijd om de balans op te maken en 2017 te condenseren tot een serie lijstjes. Woord, song, sporter, nieuws enzovoort van het jaar: de media schrapen luidruchtig de feitjes bij elkaar, enquêteren zich een slag in de rondte en hopen vooral dat hun opsomming uniek en opzienbarend genoeg is om onze aandacht te trekken, te midden van het eindejaarskabaal.

Welk lijstje heeft de hoogste nieuws- en amusementswaarde? Een goed lijstje weet een urgent aspect van het afgelopen jaar in een top-10 weer te geven, raakt een emotionele snaar en roept liefst zo veel mogelijk discussie op.

Wat ligt er dan meer voor de hand om je publiek te vragen om de mooiste, beste, fijnste … van het jaar? Eh… inderdaad: vraag het juist om de slechtste, irritantste, gruwelijkste …! Geheid dat de mensen die overal een mening over hebben zich laten verleiden tot een fors onderbouwde bijdrage.

1. Op wegmetdatwoord.org van het Instituut voor de Nederlandse Taal kun je afrekenen met vage coachingtermen, managertaal of welk woord je verder maar niet wilt horen in 2018. Stemmen kan alleen vandáág nog, dus wees er snel bij!

2. De Loden Leeuw voor de meest irritante tv-reclame is gisteren uitgereikt aan de acteur die in de Buik Billen Bonus-filmpjes van Albert Heijn speelde. Zijn reactie: `Ik ben een sportman, ik wil natuurlijk wel winnen’. Sportief, zeker… Ali B. kreeg ook zo’n leeuw, als irritantste BN’er in een reclame. Heb je deze verkiezing gemist? Leg dan je tablet eens weg en zet de ouderwetse treurbuis nog eens aan voor de verkiezing van 2018.

3. Vakantieboer Expedia haalde al in september de media met haar enquête over de irritantste vakantiefoto’s op sociale media. `Foodfoto’s’ en `hotdogbenen’ zijn ergernis nummer 1 en 2, gevolgd door yoga- en springfoto’s. Fijn dat we het weten.

Modewoorden, reclamefilmpjes en vakantiekiekjes. Wat leven we toch op een mooi stuk van de aardbol, dat we tijd, zin en gelegenheid hebben om ons daaraan te ergeren, als bewoners van een van de rijkste en veiligste landen ter wereld… zoals jaar in, jaar uit weer uit vele lijstjes blijkt.

20171206

Here, you are your house

De fraaie, ongerepte, zuid-Portugese kust werd begin jaren ’90 volop `ontwikkeld’: hotels, winkelcentra, luxe villa’s.  Ik was er als arme student op een shoestring-backpackvakantie – al noemde ik dat toen gewoon vakantie. Fotografie was nog analoog – weinigen kénden überhaupt het woord `digitaal’. Vaak moest ik kiezen om níet af te drukken: dat bespaarde film, ontwikkel- en afdrukkosten. Zes filmpjes in drie weken was echt de max.

Zo liep ik – ik heb allejezusveel gelopen op dit soort vakanties – langs een reusachtig billboard, waarop in aandoenlijke pasteltinten een droomwereld was gecreëerd, een visioen van een projectontwikkelaar met grootse plannen voor de dorre heuvels rondom. Ik zag schitterende paleisjes met weelderige tuinen, in de verte een groen glooiende golfbaan, een gouden gloed daarachter; een kruising van Babylon en het Beloofde Land.

Onder een meedogenloze, allesverzengende zomerzon, temidden van een troosteloze kaalheid aan een verweesde N-weg, las ik de woorden waarmee men investeerders wilde overhalen het visioen te verwezenlijken: Here, you are your house!

Het duurde even voordat ik met mijn verhitte hersenen de impact besefte van de verkeerd geplaatste komma: Hier ben je je huis! – in plaats van: Alsjeblieft, je huis!* Onbedoeld onthulde het billboard een waarheid als een koe of – als je wilt – een kapitalistische norm: je bent waard wat je bezit.

Er zijn grappiger kommafouten** , maar ik heb er weinig gezien die zo pregnant uitdrukten hoe de wereld in elkaar zit. Was ik geen arme student geweest, dan had ik er zeker een foto van gemaakt.

20171124

* Here you are, your house!
** Zoals Schiet op Griekenland versus Schiet op, Griekenland – Je vindt ze regelmatig op Taalvoutjes en in de rubriek Ruggespraak van het maandblad Onze Taal.

Fout Nederlands… wie bepaald dat?

Gehakketak over wat correct Nederlands is, is niet enkel van nu. In de Atlas van de Nederlandse taal* staan mooie verhalen over hoe men in de 16e en 17e eeuw onze taal op de tekentafel legde. Gedreven door een gulzig beleefde klassieke Wedergeboorte streefde men toen naar een pure, Nederlandse eenheidstaal tot fundament van de nog wankele nationale identiteit.

De hooggeletterde heren van die tijd beschouwden het Latijn als dé modeltaal, waaraan het Nederlands zich diende te meten, de leest waarop dus ook onze grammatica moest worden geschoeid. Daarom onderstreepte men op die tekentafel de drie woordgeslachten (mannelijk, vrouwelijk en onzijdig), al kwamen deze in de dagelijkse omgangstaal amper nog voor. Ook het verschil tussen hen en hun – mijn persoonlijke blinde vlek – bestond voor veel Gouden Eeuwers helemaal niet. Hetzelfde geldt voor de klassieke naamvallen, een overbodig construct dat pas een halve eeuw geleden is afgeschaft. We komen ze nog wel tegen in versteende uitdrukkingen als in naam der wet, bij dezen en de heer des huizes.

Tegelijkertijd probeerde men de woordenschat te zuiveren van vreemdtalige invloeden. Intellectuelen zochten naar Nederlandse alternatieven voor leenwoorden. Simon Stevin bedacht driehoek, wiskunde en breuk, Hugo de Groot inboedel en Vondel toeval en blijspel.

Ook de spelling moest vernederlandst en vooral gestandaardiseerd worden. Vonden ook de drukkers, die hoopten zo hun afzetgebied te vergroten. Een aantal grondregels uit die tijd geldt nog steeds, zoals het gelijkvormigheidsprincipe: je hebt het over twee honden, dus schrijf je in het enkelvoud hond met een d en niet met een t.

De taalwerkelijkheid (of liever: de taalgebruiker) trekt zich minder aan van de regels dan de beregelaars zouden willen. Het taalgevoel van veel gewone Nederlanders detecteert geen fout in `hun hebben’ en `het meisje, die…’. Het streven naar zuiver, onvermengd Nederlands wordt nog amper beleden en onze taal stikt dan ook van de Franse, Duitse en Engelse leenwoorden. Ook de spellingsdiscussie, eerdere decennia nog wel eens goed voor een flinke rel, is een achterhoedegevecht geworden. Er is weliswaar een geheiligde Woordenlijst Nederlandse taal, maar wie heeft die nog nodig? Spellingcheckers en autocorrectie voorkomen immers je typ(e)fouten en dwingen je zoekacties in het gareel, desnoods ongevraagd.

In de Atlas zelf is veel discussie over wat goed of fout Nederlands is en wie dat dan wel bepaalt. Geen instantie, regel of aanname is nog heilig, lijkt. Juist taalwetenschappers, op het symposium Goede redenen voor foute taal**, betoogden dat intuïtief `fout’ Nederlands soms logischer is dan de geldende regels. `De taal is ook maar een mening’, knipoogde Peter-Arno Coppen: mensen zouden niet `genadeloos’ mogen worden afgerekend op taalfouten. Helen de Hoop was nog stelliger: ‘ Dat je mag discrimineren op taal, vind ik heel kwalijk. Zo creëer je uitsluiting. Je tast mensen aan in hun eigen identiteit.’

Ironie: een eigen identiteit was juist de inzet van de hooggeleerde heren in de Gouden Eeuw. Althans, een poging de identiteit van een verse natie te verstevigen door de taal te standaardiseren. O tempora, o mores.

* Uitgegeven door Lannoo (2017), zie ook : www.atlasvandenederlandsetaal.com en de FaceBookpagina.
** Leiden, 24 februari 2017

20171111

Woordenboek: vraagbaak, scherprechter, gedicht?

Wie bladert er nog voor zijn plezier in een woordenboek? Toen ik Nederlands ging studeren, schafte ik me een amper tweedehands driedelige Van Dale aan, 175 gulden bij De Slegte. Ik stuitte, als een beduusde Livingstone, op `serendipiteit’: het verschijnsel dat je soms pardoes iets vindt waar je helemaal niet naar op zoek was, maar dat wel een blijvende glimlach op je gelaat tovert, of je de juiste weg wijst (mijn definitie;)

David Bowie las er graag in:

`Don’t you love the Oxford Dictionary? When I first read it, I thought it was a really really long poem about everything.’

Inderdaad, de gecondenseerde beschrijvingen, ritmisch omlijst door grammaticale informatie, bolletjes, asterisken, romeinse cijfers en andere lexicografische parafernalia geven een woordenboek soms het karakter van een bundel symbolistische poëzie, vol bezweringen en magische formules. Onaantastbaar, verheven, verwijst elk artikel naar een ander, pompt elk woord betekenis rond in een gesloten systeem, waarvan begin en het eind zo goed als in marmer gebeiteld zijn: A-ZZZ. Het is aan de lezer om zich een weg door de letters te banen, verbanden te leggen en voor zichzelf betekenis te ontlenen.

Toch is het juist de bedoeling van ons lexicografen om helderheid te geven, te objectiveren. We maken concreet wat in het hoofd van al die individuele gebruikers in het hoofd rondzoemt als ze praten over een tafel, over vriendschap of een salade niçoise. Zodat ze het – mocht er een geschil ontstaan – op neutraal terrein weer eens kunnen worden. Afgelopen zomer nog haalde de gemeente Amsterdam de Van Dale aan om te voorkomen dat een pizzaketen een vergunning zou bemachtigen: enkel échte restaurants kwamen daarvoor nog in aanmerking. ‘t Is een kwestie van definitie…

Het publiek van de Prisma pocketwoordenboeken heeft geen behoefte aan poëzie of juridische onderbouwing: middelbaarscholieren zoeken enkel de betekenis van een woord dat ze in het wild of in een examentekst tegenkomen, of de vertaling ervan, als ze Duits, Engels of Frans hebben. En liefst zo snel en eenduidig mogelijk. Dat ze er zo veel méér in kunnen vinden – gebruiksinfo, context, spreekwoorden, wijsheden – daarvan zien ze helaas niet altijd het nut of plezier in.

Gedicht, scherprechter, vraagbaak: het concept woordenboek zélf onttrekt zich aan een eenduidige definitie. Ook de vorm – papier – verandert: je bladert niet meer, maar typt een zoekwoord in. Typ je iets verkeerds in, dan geeft de spellingcorrector je wel een duwtje in de juiste richting. Rechtstreeks van vraag naar antwoord, efficiënt en trefzeker. Weinig kans nog op serendipiteit, jammer genoeg.

20171102

Red Utopia

De foto’s van Jan Banning blijven je bij. De inmiddels bejaarde troostmeisjes, die close-up recht de camera in staren, het portret van de Indische bureaucraat, omgeven door metershoge stapels documenten, het gezicht van de armoede, ten voeten uit gedocumenteerd in een Afrikaans dorp. Sociaal bewogen, poëtische beelden, waaruit innerlijke rust spreekt, berusting ook soms.

Zijn nieuwste boek gaat over communistische partijen en wat daarvan rest, honderd jaar na de Russische Revolutie. In onze neoliberale wereld verliezen solidariteit en compassie steeds meer terrein en nemen grote belangen, grote getallen het over. Socialistische idealen worden – ook in Nederland – als `linkse hobby’s’ bij het vuil gezet, afgedaan. De CPN ging al in 1990 op in GroenLinks, de van oorsprong maoïstische SP is zo verwaterd dat ze niet eens meer tegen de monarchie ageert. Harry van Bommel speelde in 2012 zelfs met de gedachte de naam te veranderen in Sociale Partij, omdat socialisme zo’n belaste term is.

Jan Banning bezocht communistische partijen in onder meer Portugal, Italië en Rusland en trof daar vooral veel ouderen aan, verschrompeld en krachteloos als de partij die ze nog vurig verdedigen, tegen de stroom van de tijd in. In India en Nepal worstelen ze met globalisering en hun eigen identiteit. Portretten van Marx, Lenin en Mao, hamers en sikkels: de iconografie is in veertig, vijftig jaar weinig veranderd. De meeste kantoren ogen sober, armoedig, schraal, het meubilair sleets. Ongemakkelijk kijken kameraden de camera in, een bittere tegenstelling met de vlaggen, de massale 1 meivieringen, de juichende propaganda van het Rode Rijk van weleer. Banning legt het met mededogen vast.

Het boek heeft een Engelse titel gekregen, Red Utopia. De foto’s spreken voor zich, een beknopt voorwoord is voldoende. Toen Jan me vroeg om de Nederlandse versie daarvan te redigeren, Rood Utopia, bleef ik haken aan de ironie die in de vertaling verloren gaat. In het Nederlands zou Red Utopia een mooie opdracht zijn, een oproep om dan tenminste nog de herinnering levend te houden aan de rode utopie, die een eeuw geleden zo dichtbij leek.

Tot 7 januari 2018 is de fotoserie te zien in Museum De Fundatie in Zwolle.

20171019

Poëzie op straat

In het jaar 79 van onze jaartelling barstte de vulkaan Vesuvius spectaculair uit en bedolf een metersdikke laag gloeiende as de nabij gelegen stad Pompeii. Toen enthousiaste archeologen in de 19e stad begonnen met opgravingen, troffen ze op de muren een overweldigende hoeveelheid graffiti aan, van scabreuze aantijgingen via reclame en laster tot keiharde politieke agitprop. Maar ook poëtische teksten als deze:

vellessem gemma hora non amplius una
ut tivi signanti oscula presse dara

(ik zou voor een uurtje de steen in je zegelring willen zijn
zodat jij me kussen zou wanneer je het zegel drukt)

Tegenwoordig zijn de muren, althans die van de Utrechtse binnenstad, onaantastbaar, heilig – in de ogen van bewoners, winkeliers, horeca en VVV – en worden ze regelmatig ontdaan van alles wat erop wordt gekalkt: swastika’s, fallussen, geleuter en gelal. De stad ziet liefst officiële, bezoekersvriendelijke poëzie de muren van de Utrechtse binnenstad opleuken. Dit kwatrijn van Adriaan Roland Holst, bijvoorbeeld, aan de Wittevrouwenkade:

heen en weer geslingerd
zonder rust of duur
was ik maar een wingerd
had ik maar een muur

Onze geweldige stadsdichter Ingmar Heytze is goed vertegenwoordigd, zoals met deze regels, mooi gekalligrafeerd langs de Oudegracht:

Zoek een goede avond uit,
loop de grachten langs en kijk
hoe het licht in de huizen verdwijnt.
Leg dan uw handen op een muur.
Hier heeft de oudste steen gelijk.

De openbare ruimte is een schaars en kostbaar goed, waarmee we voorzichtig moeten omgaan. Te makkelijk spuiten vandalen een weerloos stuk muur vol met afzichtelijke, hatelijke wartaal of vage, vormloze tags, waar, behalve de schepper, niemand blij van wordt. `Officiële’ graffiti is een mooi alternatief, maar laat wat plekken vrij voor talige Don Quixotes, die ons ongevraagd confronteren met verheffende, verwarrende, ontroerende en schurende boodschappen – plompverloren midden in die openbare ruimte, zoals deze anonieme:

MISSCHIEN ZIJN WE
JUIST NU WE VAN ALLES
VAN ALLES VINDEN
PAS ECHT IETS VERLOREN

Kijk eens om je heen: er is verrassend veel moois te lezen tussen de etalages en terrasjes. Veel officiële en `wilde’ straatpoëzie vind je (natuurlijk) op FaceBook.

20171011

Pentothal Postcards

Dear Doctor, if you’ve been looking for a far-away island paradise, you’ll find it in the Maldive Islands. The islands are just south of the great Indian peninsula. While few Westerners visit here, and the best means of transportation is by sailing ships, you will always find PENTOTHAL. Its sureness, effectiveness and solid clinical background have made it the intravenous anesthetic of choice throughout the world.
Abbot

Tussen 1954 en 1968 kregen dokters, verplegers, ziekenhuizen en gezondheidsinstituten in de hele westerse wereld dit soort ansichtkaarten. Met een persoonlijke groet, handgeschreven en authentiek gepost in België, Chili, Pakistan, de Malediven. Slimme marketing van de Abbott Pharmaceutical Company uit Chicago.

Tegenwoordig is Oom Google de postbode en reclamemakelaar ineen. Hijt checkt (met jouw toestemming) alles waar je van houdt, waar je op zoekt, hoe je leven eruitziet en met wie je dat deelt. Google koppelt dat in een database aan bedrijven die hun reclame op jou mogen richten.

Je weet waar je aan toe bent – je hebt immers de voorwaarden gelezen. Bovendien krijg je van Oom Google misschien wel goede tips en suggesties, omdat je hem zelf hebt geholpen de reclames samen te stellen.

Toch zou ik liever een handgeschreven kaart van de Malediven ontvangen, zelfs van iemand die ik niet ken.

20171003

Op je lijf geschreven

Nu de zomer definitief voorbij lijkt, verdwijnen armen, benen, schouders en ruggen zoetjesaan weer uit het zicht. En daarmee ook de daarop aangebrachte tatoeages. Persoonlijk vind ik dat niet zo erg. Bij veel van die plaatjes vraag ik me af wat erger is: of je ooit spijt gaat krijgen dat je ‘m hebt laten zetten of juist dat je daar géén spijt van gaat krijgen. En hoe ze er over tien, twintig jaar uitzien, als de huid rimpelig en vlekkerig wordt.

Tatoeages (van het Polynesische woord tatau: schrijven) zijn allang gemeengoed, met name onder voetballers, filmsterren en popartiesten. Toch roepen ze ook nog veel controverse op, als `ontheiliging van het lichaam’ of `een opgestoken middelvinger naar de maatschappij’ (column Renée Braams in De Volkskrant).

Er zijn vele, diep-persoonlijke redenen denkbaar waarom je het portret van een voetballer, een wijnetiket, Popeye of een Keltisch kruis met inkt in je huid zou laten krassen. Of een tekst, een paar zwierige dichtregels of een spreuk met veel hoofdletters. Het houdt de herinnering levend aan je eigen levensmotto, een verloren geliefde of een beslissend moment in je leven. Het bindt je aan een levensgezel die zich met dezelfde tekens heeft laten decoreren. In John Irvings boek `Until I find you’ heeft de lang gezochte vaderfiguur, een organist, zich tot een `full body’ laten decoreren met betekenisvolle flarden notenschrift (Bach, Haydn) en liturgische teksten. Zijn huid houdt zijn lichaamswarmte niet meer vast: hij heeft het voortdurend koud.

Ik ken iemand die zijn geliefde huisdier, een rat, over zijn linkerborst liet aanbrengen. Toen het dier de geest gaf, liet hij de tatoeage tegen aanzienlijke kosten en pijn verwijderen… om daarna een zwarte Maori-tribal over zijn gehele bovenarm te bestellen, zo groot dat ‘ie er nooit over zou peinzen ook deze nog eens weg te laten halen.

Met een tatoeage geef je uiting aan een diep gevoelde gedachte, overtuiging of emotie. Maar hoe persoonlijk ook, een tatoeage wordt een boodschap aan wie hem onder ogen krijgt. Mensen kunnen nu eenmaal niet anders dan reageren op visuele stimuli en betekenis hechten aan een afbeelding of een tekst die iemand in eigen huid heeft laten kerven. En dan maakt het uit of er `moeder’ staat, in een hart of `PURE EVIL’ met een doodshoofd erboven.

Het is aan de getatoeëerde om uit te maken welke boodschap hij of zij wil uitdragen. Tegelijk is het – voor mij althans – een mooie uitdaging om zelfs bij de meest groffe tatoeage een onmiddellijk oordeel uit te stellen en misschien zelfs de getatoeëerde te vragen naar zijn of haar motieven. Dat heeft me al een paar verhelderende en openhartige gesprekken opgeleverd.

20170921

Haikoe

De hoofdredacteur van de Utrechtse daklozenkrant noemde me ooit meester op de korte baan, toen bleek dat ik in 100 woorden een leuk verhaaltje kon houden over bekende Utrechters. Voor wie denkt dat ik lui ben: met het schrijven van 100 woorden ben je niet per se korter bezig dan met een stukje van 400, of zelfs 1000 woorden. Met weinig woorden heb je weinig kans om te nuanceren, dus moet je extra zorgvuldig kiezen. Stel je voor dat je een poolreis gaat maken en je kan enkel een daypack als bagage meenemen.

De strakke vorm van de Japanse dichtvorm haikoe (meervoud: haikoe) biedt de kortebaner een spannende uitdaging. Hoe geef ik een impressie van een seizoensgebonden fenomeen weer in 5 + 7 + 5 lettergrepen? In alledaagse, vloeiende taal, alsof er niets bijzonders gebeurt, terwijl je wel weet dat er iets `hoogs’ wordt aangeraakt. Sober, diepgaand, zakelijk moet het zijn, maar ook speels en licht. Dat zijn althans de basisregels, die door de eeuwen heen meer en minder rigide werden toegepast.

Deze week, aan het begin van de herfst, een boeketje haikoe, één voor elk seizoen, uit de klassieke verzameling van J. van Tooren (`Een jonge maan’), in zijn vertaling:

Er staat geschreven:
geen bloesems plukken! Maar de
wind kan niet lezen.

(anoniem)

In de avondwind
gaan alle witte rozen
zachtjes bewegen.

(Shiki)

Mijn schaar naderde
de witte chrysanth – en bleef
even aarzelen.

(Buson)

Het pampasgras valt;
je ziet het voor je ogen,
hoe de kou toeneemt.

(Issa)

O ja, de officiële spelling is natuurlijk haiku, maar woordbeeld en uitspraak hebben me dichterlijk gevraagd deze in dit geval te negeren.

20170913

#Hashtag #jarig

De hashtag vierde onlangs zijn tiende verjaardag. In augustus 2007 introduceerde Chris Messina het hekje (#) op Twitter om berichten te kunnen groeperen op onderwerp. Zinvol als je snel alle informatie bijeen wilt hebben over #JustinBieber of #NSvertragingen.

De technologie die ons internet bracht, beheerst inmiddels ons denken en handelen meer dan ooit. Zij bracht een tsunami aan informatie op gang die zijn weerga niet kent en nog steeds explosief groeit. Met mobiele apparaten legden wij, makke schapen, onszelf nog meer aan het infuus van een continue informatiestroom.

Gelukkig zijn daar de zoekmachines die ons in die ongebreidelde rijstebrijberg van gegevens helpen vinden wat we zoeken. En telkens sta ik weer paf: hoe krijgen ze voor elkaar dat ik zoek naar een camera en vervolgens overal op internet met camerareclames om mijn oren wordt geslagen? Personalized ads, direct target marketing, search engine optimization, page ranking, big data… Ze zijn zo knap tegenwoordig!

De Twitterbazen vonden de hashtag toen iets voor nerds, maar tags zijn onmisbaar geworden, ook zonder het #-teken ervoor. Deze woorden of woordgroepen hangen inmiddels aan heel veel producten en diensten die de zoekmachines je aanbieden, ongeveer zoals labels aan kledingstukken in een winkel. Zoek je op internet naar `gele herenpantalon’, dan gaat de zoekmachine aan het werk: op welke webpagina komt `herenpantalon’ voor, `geel’ of `gele’, `herenbroek’? De producten of diensten met de meest toepasselijke tags komen bovenaan te staan.

Elke goede blogger gebruikt tags: het vakje `zoektermen’ of `keywords’. De zoekmachine indexeert de inhoud van de blog en iedereen die zoekt op jouw tags zal sneller jouw blog vinden, lezen en liken. Word je niet gevonden, dan heb je dat dus goeddeels aan jezelf te wijten. Doe je het goed en heb je iets interessants te melden, dan vergroot je de kans dat je er geld mee kunt verdienen.

Zo danst iedereen naar het pijpen van de zoekmachines. De informatieconsument (nog zo’n mooi neologisme) wil graag snel de meest relevante website vinden. Bedrijven, organisaties en bloggers willen graag gevonden worden. Vindbaarheid is geen luxe, maar noodzaak. Geen wonder dat de bedrijven achter de zoekmachines hun lucratieve technologie zorgvuldig geheim houden en de cocktail van factoren telkens wat aanpassen. Zo blijven wij hulpeloos en mak.

Er zijn wel wat vuistregels: zoekmachines indexeren naast zoektermen ook de titel van een tekst en koppen in de tekst (zoals <h1> en <h2>). Links naar andere webpagina’s dragen bij aan een goede vindbaarheid. Informatie met beeld krijgt voorrang, en gesponsorde informatie natuurlijk ook.

Meer tips? Googel even op vindbaarheid: beslist dat je veel bruikbare info wordt aangeboden.

20170907

Spookwoorden

Redacteurs van woordenboeken zijn doorgaans nogal op de millimeter wat betreft definities, grammaticale en etymologische informatie, spelling uiteraard. We moeten altijd woekeren met de ruimte om een zo accuraat mogelijke omschrijving te geven van, bijvoorbeeld, een `dubbelmol’. We kunnen lang puzzelen op de essentie van `due diligence’. Sommigen van ons hebben hun hele, lange leven gewijd aan de studie van het Gotisch en Raetoromaans om ons overtuigend te kunnen inlichten over de oorsprong van, bijvoorbeeld, een woord als `paard’. Zakelijk, nuchter, to the point, zoals het hoort.

De hele dag zoeken we de on- en offline media af naar bewijsplaatsen van nieuwe woorden en uitdrukkingen. Alleen zo kunnen we beoordelen of die al een plek verdienen in onze woordenboeken, of ze al `gelexicaliseerd’ zijn, om maar een vakterm te gebruiken. We komen daarbij behoorlijk wat vondsten tegen die getuigen van creativiteit en spitsvondigheid. De meeste zijn eendagsvliegen, zoals `terroroehoe’ en `vleesverlater’: ze gaan ten onder als het onderwerp uit de actualiteit wegebt.

Bekende taalvirtuozen als Kees van Kooten introduceren prachtige nieuwe termen als `otofoto’ (selfie), die een lang leven beschoren zouden moeten zijn, maar jammer genoeg niet altijd gemeengoed worden. Uiteindelijk haalt maar een zeer klein deel van wat we vinden de Prisma-database – en snel daarna het papier – na zorgvuldige weging en deliberatie, uiteraard.

Maar ook wij lexicografen hebben zelf ook af en toe een verzetje nodig. En dan verschijnt er ineens een woord in onze woordenboeken dat aan geen enkele werkelijkheid is ontleend, maar puur aan de verbeelding van de redacteur van dienst. We noemen ze spookwoorden. Je zult ze in het echt niet tegenkomen en dus ook niet opzoeken, maar ze staan daar toch maar! En we scheppen er eer in om ze `echt’ te laten lijken. En na een paar edities vervangen we ze door andere. Deze zul je bijvoorbeeld niet meer aantreffen:

lambadatol                    tol die tijdens het draaien de lambada laat horen
gummelen                      1) net op tijd de dans ontspringen 2) wijn drinken
librioso                             (muz.) vrijelijk, rubato
en in Duits-Nederlands:
Rammstein                     (der, m) Ramsteen <mythische rots waarin een ram is uitgehouwen>

De `lambadatol’ was een speeltje dat toevallig op het bureau van een redacteur lag. `Gummelen’ verwijst naar een collega die bij zijn afscheid, vlak voor een reorganisatie, heel veel flessen wijn kreeg. `Librioso’ is geen muziekterm, maar (bijna) de naam van de database waarin we onze woordenboeken hebben ondergebracht. En `Rammstein’… tsja, die redacteur heeft een uitstekende muzieksmaak.

Die niet bestaande spookwoorden zijn niet alleen melige grapjes onder collega’s. Het zijn ook functionele, effectieve verklikkers. Duikt ineens één van onze spookwoorden op bij een concurrent – op papier of op internet – dan kunnen we er makkelijk mee aantonen dat ‘ie ons geplagieerd heeft. En zo houden wij en onze collega’s elkaar eerlijk.

20170827

Teruggeven aan De Natuur

Wat hebben we De Natuur veel ontnomen de laatste paar honderd jaar. Wilde flora en fauna hebben we in steeds hoger tempo weggevaagd om steeds meer mensen te kunnen huisvesten. We hebben een hele industrie ontwikkeld waarmee we die mensen steeds gezonder en langer konden laten leven op een steeds hoger levenspeil. Als een olievlek heeft onze beschaving zich over de wereld verspreid. Tot er bijna geen Natuur meer over was.

Het is geven en nemen, weten we. Dus vinden we het goed om De Natuur wat terug te geven van wat we haar ontnomen hebben. We zetten bijvoorbeeld een Zeeuwse polder weer onder water. We ploegen een parkeerterrein om bij een verlaten industrieterrein, net buiten Veenendaal. Of we planten een stel bomen op een overbodige akker in Oost-Groningen. We zetten er een houten hek om en leggen er een wandelpaadje aan met houtsnippers. Voor je het weet vind je er weer kortsnuitzeepaardjes, spiegeldikkopjes en lachsternen. En NS-wandelaars in ANWB-tenue, een boscafé met biologische koffie en homemade gebak.

We streven naar vermindering van de CO2-uitstoot, dus rijden we elektrisch. We scheiden afval tegen de plasticsoep in de oceanen, letten op FSC-keurmerken en EKO-labels. Maar hebben nu eenmaal smartphones, airfryers en yogamatten nodig. En af en toe een barbecue of een stedentripje. Geven en nemen, toch?

Maar even serieus, duurzaamheid is complexe business. We moeten zoeken naar een goede balans tussen menselijke activiteit, dierenwelzijn en zorg voor flora en fauna. Hoe kiezen we bijvoorbeeld tussen meer asfalt of meer files? Tussen fijnstof door fossiele brandstoffen of horizonvervuiling door windturbines? Dat zijn geen makkelijke afwegingen, maar politiek gevoelige zaken met grote economische consequenties. En met veel belangen en partijen, die soms, vaak, liever denken aan het genot en de winst op korte termijn dan aan de effecten op lange termijn.

Wij, consumenten, kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan verduurzaming. Minder vlees, minder vliegen, minder verkeer, om te beginnen. Minder spullen kopen, duurzaam kopen en daarmee producenten en leveranciers stimuleren duurzame producten aan te bieden. We kunnen stemmen op groene partijen en ons verenigen in organisaties die de natuur beschermen. Anderen laten zien dat je zo ook heel fijn kunt leven.

Open deuren ingetrapt? Ja. Is het zo simpel? Vast niet. Is het genoeg om tegenwicht te bieden aan de kortetermijndenkers? Dat weten we op zijn vroegst als het te laat is. Hoe dan ook, we mogen hopen dat we De Natuur er een beetje blijer, gezonder mee maken. En dat is dan tenminste íéts.

20170817

Ontdek ont-, een voorzetsel ontzenuwd

Het voorvoegsel ont- is ontluisterend ondoorgrondelijk. Heb je je bijvoorbeeld ooit afgevraagd waarom `ontbranden’ betekent dat iets begint te branden? Je zou immers kunnen denken dat het juist het tegenovergestelde betekent: ophouden te branden. Denk maar aan `ontsluiten’ (openen) en `ontvetten’ (vet verwijderen).

Zeker als Nederlands je tweede taal is, ben je nog wel eens onthand als je gesprekspartner je begrip ontregelt met zinnen als `Ik ben ontzettend ontgoocheld over het ontbijt’ of `Het was een ontspannen ontmoeting’. Ontnuchterend, als je denkt het Nederlands al behoorlijk ontleed te hebben.

Het voorvoegsel ont- verandert dus op verschillende manieren de betekenis van het woord waar het voor staat. Het kan bijvoorbeeld aangeven:
– het begin van een handeling (ontbloten, ontdooien)
– het einde van een situatie (ontwarren, onthechten)
– een verwijdering (ontvluchten)

Ben je native speaker, dan zul je doorgaans weinig moeite hebben de juiste betekenis te ontraadselen. Misschien helpt het ook als je in het achterhoofd houdt dat het Duitse voorvoegsel `ent-‘ dezelfde functies heeft: entflammen (ontvlammen), entkleiden (ontkleden), entkommen (ontkomen). Ontbeer je deze kennis, dan zul je af en toe ontredderd proberen te ontzenuwen welke ontboezemingen je gesprekspartner zich laat ontvallen.

Wat zou het leuk zijn geweest als `ontlezen’ zou hebben gestaan voor `beginnen te lezen’!

20170810

De praatpaal als zielzorger

Ze zijn begin juli alle 3300 buiten bedrijf gesteld, de gele ANWB-praatpalen. Net als de fluittalen, waar ik eerder over schreef, werden ze ingehaald door nieuwe vormen van communicatie. In plaats van een kilometer te moeten sjokken over de vluchtstrook app je nu ff de pechservice, lekker makkelijk. Maar nostalgie is een hardnekkige mensenkwaal. Zoals eerder de rode Britse telefooncellen waardevolle verzamelobjecten werden, zo willen velen nu zo’n gele `Broer Konijn’ aanschaffen.

Is het alleen nostalgie? Ik kan me de behoefte aan die luisterende gele oren wel voorstellen. Een praatpaal is een levenslijn, een directe verbinding met een onzichtbare instantie die je uit de problemen helpt, een verlosser. Zelfs als ‘ie ontmanteld is, moet het troostend zijn om je hoofd tussen de gele oren te steken, voorover te buigen en zachtjes in de microfoon je nood te klagen.

Vele duizenden automobilisten hebben sinds de ingebruikname van de praatpalen (1973) hun auto langs de kant gezet om contact te zoeken met een anonieme medewerker van de centrale nooddienst. Bij hoeveel van hen ging het niet over panne aan hun voertuig, maar over een defect aan de ziel? Je bent helemaal over je toeren: je accu is leeg, de stoppen zijn doorgeslagen. Of je hebt een verkeerde afslag genomen en nu ben je totaal de weg kwijt. De wielen draaien nog wel, maar er zit niemand achter het stuur. Of je weet niet eens meer waar je überhaupt heen wilde, of waarom.

De praatpaal als metaforische zielzorger is zelfs het woordenboek in geslopen. En nu kun je dus permanent je verhaal doen aan je eigen `Broer Konijn’, in je woonkamer, je achtertuin of op zolder. Geloof je in een hogere macht, dan heb je niet méér nodig om je aan vast te houden: je boodschap zal worden verstaan, zelfs als de aardse centrale nooddienst enkel nog reageert op appjes.

20170802

groenwassen: de Schaal van Smaragd

Veel grote bedrijven leggen graag aan de wereld uit hoe Groen ze zijn. Electronicaconcerns, fastfoodketens, oliemaatschappijen etaleren uitgebreid hoe goed ze presteren op de Schaal van Smaragd. Bouwmarkten en papierproducenten pronken met FSC-keurmerken, wasmiddelfabrikanten met Eko-labels. Supermarkten en witgoedventers steunen knuffelbare groendoelen, van het Wereld Natuurfonds tot de zeehondjes van Pieterburen. Toppunt van `greenwashing’: een bekende hamburgerboer die zijn logo groen schildert.

Maar achter de groene façade gaat vaak een grauwe werkelijkheid schuil. Producten van `duurzame’ cosmeticabedrijven als The Body Shop zitten vol met petrochemische stoffen, synthetische kleur-, geur- en conserveerstoffen. Met een groen label, `pure and natural’, onderscheiden schoonmaakmiddelen, luiers, frisdranken en kleding zich voor het oog van de concurrent, maar de productie ervan kost enorm veel water en grondstoffen en levert enorm veel vervuiling en afval op. Easyjet vliegt `groen’, BP verkoopt `milieuvriendelijke’ benzine, nee écht. Autoproducenten `verduurzamen’ hun producten met sjoemelsoftware.

Wij consumenten vinden duurzaamheid belangrijk en dat ís het ook: wij willen tenslotte allemaal een gezonde, fijne wereld nalaten aan onze kinderen en kleinkinderen. Dus we nemen het zekere voor het onzekere en klampen ons vast aan de frisgroene blaadjes op de verpakking, `handgeschreven’ aanbevelingen – `puur’, `geïnspireerd door moeder Natuur’ – en andere slim bedachte marketingtrucs. Vooral Engelse termen – `organic, herbal, natural’ – doen het goed.

Maar zit er iets anders op dan ons gezond te verstand te gebruiken? Hoe minder plastic en synthetische rommel je koopt, hoe blijer het milieu is. Hoe minder vlees je eet, hoe minder je reist, hoe kleiner je ecologische voetafdruk. En je houdt nog geld over ook.

20170727

Team Friet vs. team Patat

Een paar maanden geleden verscheen de prachtig geïllustreerde `Atlas van de Nederlandse taal’ (Lannoo), in twee edities: een Nederlandse en een Vlaamse. Dat is niet voor niets.

Natuurlijk lijkt hun Nederlands, zolang we elkaar niet spreken dan toch, veel op het onze. Toch heeft het Nederlands zich in België heel anders ontwikkeld na de afscheiding van Nederland in 1830. In Nederland was en bleef het de vanzelfsprekende taal der natie, waar het zich in België voortdurend moest meten met het Frans.

Daarbij speelde voortdurend de kwestie of men zich in Vlaanderen wilde bedienen van het Standaardnederlands of daar een eigen versie van wilde ontwikkelen, op basis van de vele dialecten en tongvallen die Vlaanderen rijk is. Men koos als norm het Nederlands dat in Nederland werd gesproken.

Afgelopen decennia kreeg Vlaanderen economisch en politiek meer in de Belgische pap te brokkelen. Vlamingen werden fierder op hun Belgisch-Nederlands dat zich ontwikkelde tot een eigen standaardtaal, met een eigen uitspraak, minder afgemeten naar wat er benoorden de grens werd gesproken.

In de AvdNT vinden we daar prachtige voorbeelden van:

BN                                   NN

wijsheidstand                verstandskies
fluisterasfalt                   zoab
ik zie u graag                 ik hou van je
zeker en vast                 vast en zeker
onder de sloef liggen    onder de plak zitten

Sommige woorden en begrippen kennen Belgen en Nederlands van elkaar niet. Nederlandse pieten strooien met pepernoten, Vlaamse met nicnacjes. Een Vlaming haalt geld uit de muur met een protonkaart, een Nederlander met een pinpas.

Prisma onderkende als eerste dat het Nederlands twee gelijkwaardige varianten heeft: Belgisch- en Nederlands-Nederlands. Deze legden we in 2009 voor het eerst formeel vast in ons `Handwoordenboek Nederlands’. Niet alleen de typisch Belgisch-Nederlandse woorden en uitdrukkingen markeerden we met een label, ook de typisch Nederlands-Nederlandse, die in Vlaanderen niet verstaan (begrepen) worden. Gelijkwaardig dus.

Zo verschijnt ook deze `Atlas van de Nederlandse taal’ dus vanzelfsprekend in twee edities, onder redactie van een `team friet’ en een `team patat’, zoals Nicoline van der Sijs het wat melig verwoordt in de inleiding. Bijna alle behandelde thema’s zijn identiek, maar alle teksten zijn door Belgen en Nederlanders geschreven vanuit de eigen invalshoek, eigen meningen, gedachten en gevoelens over standaardtaal, het Engels, dialecten en wat `de norm’ is.

De prachtige site bij het boek is wel `gemengd’, de FaceBookpagina ook. Van harte aanbevolen!

20170720

Fluittaal

In de bergen van Turkije en op veel andere plekken in de wereld kon je ze tot kort geleden nog vaak horen: gefloten berichten. Een handig middel om kloven te overbruggen: een herder zet zijn vingers aan de mond en vertaalt zijn boodschap in een reeks hoge en lage fluittonen. Aan de andere kant van het dal spitst men de oren en begrijpt: `wolven hebben twee schapen opgepeuzeld’, of `schat, ik ben een uurtje later thuis’.

Helaas: herders en boeren gingen na eeuwen fluiten in amper één generatie over op mobieltjes en scooters. En weer ruimt een bijzonder folkloristisch fenomeen het veld, ingehaald door de vooruitgang.

Of zijn fluittalen nog te redden? Veel mensen zijn op zoek naar hun wortels tegenwoordig en veel ervan hebben de tijd. Misschien dat zij de tradities in veiligheid willen brengen waarvan zij zelf nooit deel hebben uitgemaakt. Ze zullen zoeken in bejaardenhuizen en vervallen herdershutten naar gammele landgenoten die ooit, toen ze nog viefe boerenjongens en pronte herdersmeisjes waren, elkaar fluitend de liefde verklaarden, in gecodeerde boodschappen afspraken: `hoe laat, waar?!’

De tandeloze, stokkedove oudjes kunnen het daadwerkelijke fluiten helaas niet meer demonstreren, maar de wortelzoekers, stel ik me zo voor, noteren op hun mobiele devices ijverig het gebrabbel dat zij voor uitleg aanzien. Ze zoeken zich een ongeluk naar de fluitgeluiden die hun voorouders als woorden in de oren moeten hebben geklonken. Ongetwijfeld lukt het ze om een aangenaam klinkende `reconstructie’ te maken, zoals we in openluchtmusea reconstructies kunnen zien van dorpen uit de Steentijd, of nagespeelde veldslagen. Geen ziektes, stank of bloed, maar je krijgt een beetje een indruk. De wortelzoekers bouwen een museum en een database+website, zodat het prachtige fenomeen blijft voortbestaan.

Of beter nog: het Ministerie van Toerisme begint rondleidingen met gidsen, wandelingen en scootertours, langs berg en dal. Demonstraties van goed opgeleide, authentiek ogende acteurs die zich hebben bekwaamd in de fluittaal van die regio. Na afloop een traditionele maaltijd met drank en entertainment, voor een heel redelijke all-inprijs. Applaus!

Zo ging het met de olijk springende Masai, de dansende derwisjen uit Anatolië, de indianen met hun vredespijpen en veren, fakirs op hun spijkerbed, vissers op Marken. Allemaal hebben ze hun plek gevonden in de groeimarkt van naar beleving en echtheid hunkerende wortelzoekers. De vrijetijdsindustrie profiteert er fluitend van mee.

20170707

Engelse ziekte

Rachitis – je krijgt er kromme benen van – ontstaat door een gebrek aan vitamine D en calcium. De ziekte werd voor het eerst onderkend in Groot-Brittannië, in de begindagen van de Industriële Revolutie. Kinderen maakten er lange dagen in de fabrieken en zagen amper de zon, vandaar dus.

De volksnaam voor rachitis, Engelse ziekte, heeft een talige bijbetekenis gekregen, bedacht door iemand die zich stoorde aan Engelse leenwoorden, anglicismen, verkeerd spatie gebruik en fake friends.

Wij hebben ons vol overgave laten besmetten. In ‘t begin ging dat met een vertederende onbeholpenheid. Beef steak werd biefstuk en roast beef rosbief. Blue band sprak je uit als [bleu band] en sweater als [swieter]. Menig wielrenner spreekt nog steeds over [toeklips] en niet over [toowklips] en geen Nederlander zegt [foowk- loR]  als ‘ie folklore bedoelt.

Maar die milde vorm van Engelse ziekte is gemuteerd en het Engels heeft zich comfortabel in ons collectieve taaleigen genesteld, vooral in finance, marketing en entertainment. Ergens werd boekhouding accounting,  een spelletje een game. Ergens werd het cursiefje een column, een tijdschrift een magazine, dienstverlening service, een radio een receiver.

Er zijn mensen die met gekromde tenen en samengeperste lippen constateren dat etherische oliën tegenwoordig `essentieel’ worden genoemd. Dat mannen in november een snor `groeien’, als actie tegen prostaatkanker. Maar de meeste Nederlanders hebben het Engels `omarmd’. En dat gaat gepaard met kromme armen, niet met kromme benen.

20170618

ALLES MOET WEG!

Veel winkelstraten in Utrecht lijken op een gatenkaas, of een rot gebit. In de strijd tegen de dozenschuivers van het internet leggen steeds meer klassieke winkels het loodje. Vastgeroeste, bejaarde ketens sluiten de knarsende deuren. Da’s mooi, want zo ontstaat er ruimte voor nieuwe, kleine zaakjes, creatieve geesten en woonruimte. Maar dat terzijde.

Vaak gaan in de laatste weken de etalages van zieltogende winkels in de paniekstand. Krijsende chocoladeletters beloven kortingen die, naarmate het uur U vordert, steeds meer economische wetten tarten: 50, 70, 80 procent korting. Terneergeslagen personeel schuifelt doelloos tussen de halfvolle schappen, ontwijkt de medelijdende blikken van voorbijgangers.

ALLES MOET WEG is de ultieme boodschap waarmee de winkelier zichzelf overlevert aan de genade van de klant. Deze zal het een zorg zijn wat de winkelier met zijn winkeldochters aan moet. De push-leus waarmee de winkelier zijn eigen wanhopige verlangen ventileert, staat haaks op de behoefte van de consument, die op zoek is naar een leuk voordeeltje, een onverwacht koopje.

Zou de winkelier kiezen voor het waarschuwende ALLES GAAT WEG, zou dan de pull-factor niet veel groter zijn? Daarmee zeg je: `Hee, dit is niet een onttakelde uitdragerij, maar hier wil je je slag slaan nu het nog kàn. Als je te laat bent, is het je eigen schuld!’

Zoiets komt misschien wat arrogant over, maar wat straal je liever uit in het aanzicht van een vol magazijn vol winkeldochters en een nakend bankroet?

20170608